Wet- en Regelgeving

Landsverordening op het beroep in belastingzaken

Publicatienummer: P.B. 2015, no. 80 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst
Onderwerp(en): Openbare orde
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 27-03-2014
Datum inwerktreding: Niet van toepassing
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad (HOOFDSTUK IV Belastingen)

LANDSBESLUIT van de 27ste maart 2014, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum ingetrokken

Betreft

Vindplaats                

Zittingsjaar

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Geconsolideerde Tekst

P.B. 2014,no.11 (GT)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Hoofdstuk 1
(artt. 1 t/m 17)

Hoofdstuk 2
(artt. 17a t/m 17g)

Hoofdstuk 3
(artt. 18 t/m 21)

P.B. 2015, no.80

n.v.t.

HOOFDSTUK 1
Beroep

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1



1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Gerecht: Gerecht in eerste aanleg van Curaçao;
Hof: Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba,
Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
Inspecteur: Inspecteur der belastingen en de Inspecteur der invoerrechten en accijnzen.
2. Voor zover in enige landsverordening beroep bij de Raad van Beroep voor belastingzaken is opengesteld, treedt het Gerecht voor de Raad van Beroep voor belastingzaken in de plaats en doet het uitspraak op dat beroep.
3. Op het instellen en behandelen van het beroep is het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk van toepassing.
4. Voor de toepassing van deze landsverordening worden bestuursorganen die bevoegd zijn beschikkingen te geven waartegen beroep bij de Raad van Beroep voor belastingzaken is opengesteld, gelijkgesteld met de Inspecteur.


Artikel 2



1. Zaken die bij het Gerecht aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.
2. De enkelvoudige kamer kan een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
3. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.



Artikel 3



1. De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn op de behandeling zowel door een enkelvoudige als door een meervoudige kamer van toepassing.
2. In de artikelen 7, derde lid, 8, eerste en vierde lid, 9, tweede, derde en vierde lid, 10, 11, derde lid, 12 tweede lid, en 14, eerste en tweede lid, wordt met voorzitter bedoeld, de voorzitter van de meervoudige kamer.
3. De rechter in een enkelvoudige kamer oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit toegekend aan de voorzitter van de meervoudige kamer.



Artikel 4


(vervallen)



§ 2. Het instellen en de behandeling van het beroep

 

Artikel 5



1. Het beroep bij het Gerecht wordt ingesteld door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Gerecht gericht beroepschrift.
2. Het beroepschrift moet met redenen zijn omkleed en voor zover niet wordt beweerd, dat geen aanslag had mogen zijn opgelegd, of geen belasting verschuldigd is, zodanig zijn ingekleed, dat daaruit een gevolgtrekking kan worden gemaakt ten aanzien van het bedrag, dat volgens de belanghebbende verschuldigd is.
3. Indien in beroep wordt gekomen van een beschikking, moet bij het beroepschrift het afschrift van de beschikking worden overgelegd.
4. De in de landsverordeningen, waarin beroep bij het Gerecht is toegelaten, voor het instellen van dat beroep zijn bepaalde termijnen niet verbindend, indien ten genoegen van het Gerecht wordt aangetoond, dat de inachtneming daarvan door bijzondere omstandigheden is verhinderd.

Artikel 6



Elk bij het Gerecht ingekomen beroepschrift wordt onverwijld na ontvangst, door de griffier gezonden aan de Inspecteur tegen wiens beschikking, aanslag, beslissing, uitspraak of vaststelling in beroep wordt gekomen.


Artikel 7



1. Indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 5, stelt de griffier de appellant in de gelegenheid binnen een daarbij te stellen termijn het beroepschrift met het ontbrekende aan te vullen.
2. Betreft een beroepschrift meer dan een aanslag niet op hetzelfde aanslagbiljet voorkomende, dan stelt de Inspecteur de belanghebbende in de gelegenheid het beroepschrift binnen een daarbij te stellen termijn te vervangen door zoveel beroepschriften als er aanslagbiljetten zijn. Maakt de appellant van deze gelegenheid gebruik, dan worden de nieuwe beroepschriften geacht op dezelfde dag als het oorspronkelijke beroepschrift bij de het Gerecht te zijn ingekomen en door de griffier te zijn ontvangen.
3. De Inspecteur zendt het beroepschrift binnen twee maanden na ontvangst aan de het Gerecht terug. De Inspecteur kan daarbij een verweerschrift overleggen. De in dit lid genoemde termijn van terugzending kan door de voorzitter worden verlengd.
4. Binnen een week nadat het verweerschrift bij het Gerecht is ingekomen, zendt de griffier een door hem voor eensluidend getekend afschrift daarvan aan de belanghebbende, waarbij hij deze opmerkzaam maakt op de hem ingevolge het derde en vierde lid van artikel 8 toekomende bevoegdheden.


Artikel 7a


Totdat partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van de zaak, kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien:
a. het Gerecht kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is.


Artikel 7b


1. Tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 7a kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.
2. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt twee maanden. Deze termijn vangt aan nadat de uitspraak aan de partijen is toegezonden.
3. Alvorens een uitspraak te doen op het verzet, kan het Gerecht de partij die het verzet deed in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Is het Gerecht van oordeel dat het verzet ongegrond is, dan gaat het niet tot ongegrondverklaring over dan na de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
4. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, gedaan is door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet, maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
5. Is het Gerecht van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt de uitspraak, bedoeld in artikel 7a, en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.


Artikel 7c


Het instellen van beroep of het doen van verzet schorst niet de werking van de beschikking, aanslag, beslissing, uitspraak of vaststelling waartegen beroep is ingesteld of uitspraak waartegen verzet is gedaan, tenzij bij landsverordening anders is bepaald.


Artikel 8


1. Zodra de termijn voor het indienen van een verweerschrift is verstreken of, indien binnen bekwame termijn een verweerschrift ingediend, zodra een afschrift daarvan volgens artikel 7 is verzonden en de belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de hem volgens het vierde lid van dit artikel toekomende bevoegdheid, draagt de voorzitter zorg, dat de behandeling van de bij het beroepschrift aanhangig gemaakte zaak verder voortgang vindt en stelt, behoudens in geval van toepassing van artikel 8b,.
2. De griffier roept de Inspecteur op om bij de behandeling van de zaak tegenwoordig te zijn. De Inspecteur kan zich doen vertegenwoordigen door een door hem aan te wijzen ambtenaar.
3. Indien het verlangen daartoe tijdig is te kennen gegeven of het Gerecht zulks nodig acht, wordt de belanghebbende ter mondelinge toelichting van zijn beroepschrift door de griffier tijdig opgeroepen.
4. Indien het beroepschrift door de belanghebbende niet mondeling wordt toegelicht, kan deze na ontvangst van het in artikel 7, vierde lid, bedoeld afschrift binnen een door de voorzitter van het Gerecht te bepalen termijn bij de griffier een schriftelijke toelichting indienen. Deze zendt een door hem voor eensluidend getekend afschrift daarvan onverwijld aan de Inspecteur.


Artikel 8a


1. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
2. De zitting is evenwel openbaar, voor zover het beroep is gericht tegen een uitspraak waarbij een boete geheel of gedeeltelijk is gehandhaafd dan wel tegen een beschikking waarbij een boete is opgelegd.
3. Het Gerecht kan bepalen dat de zitting, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk zal plaatshebben met gesloten deuren:
a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden,
b. in het belang van de veiligheid van het Land,
c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen, of
d. indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging zou schaden.
Van de toepassing hiervan wordt in de uitspraak melding gemaakt.


Artikel 8b


Het Gerecht kan met schriftelijke toestemming van de belanghebbende en de Inspecteur zonder mondelinge behandeling uitspraak doen.


Artikel 9


1. De belanghebbende kan zich door een gemachtigde doen vertegenwoordigen. Het Gerecht kan de vertegenwoordiging door een bepaalde gemachtigde weigeren.
2. De voorzitter heeft het recht te vorderen dat de belanghebbende zijn gemachtigde vergezelt.
3. Zowel de appellant en zijn gemachtigde als de Inspecteur of de door hem aangewezen ambtenaar kan zich met toestemming van de voorzitter, door een of meer deskundigen doen bijstaan.
4. De behandeling van de zaak wordt, zo nodig, door de Voorzitter geschorst of verdaagd.


Artikel 10


Het Gerecht is bevoegd om, alvorens uitspraak te doen:
1. partijen nader tezamen te roepen tot het verstrekken van inlichtingen;
2. bij de belanghebbende schriftelijke inlichtingen in te winnen;
van de gevoerde briefwisseling wordt alsdan afschrift toegezonden of inzage verstrekt aan de Inspecteur die bovendien in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een door de voorzitter te bepalen termijn schriftelijk van zijn gevoelen te doen blijken. Indien de Inspecteur van de hem geboden gelegenheid gebruik maakt, wordt zijn schriftelijke uiteenzetting in afschrift toegezonden aan de belanghebbende.


Artikel 10a


1. Het Gerecht kan getuigen oproepen.
2. De Inspecteur en de belanghebbende kunnen elk getuigen meebrengen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het Gerecht mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze bevoegdheid wordt de Inspecteur onderscheidenlijk de belanghebbende gewezen in de oproeping, bedoeld in artikel 8, tweede onderscheidenlijk derde lid.
3. Het Gerecht kan afzien van het horen van door de Inspecteur of de belanghebbende meegebrachte getuigen, indien het van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
4. In geval door een partij overeenkomstig het tweede lid een of meer getuigen zijn aangemeld, stelt de griffier de andere partij onverwijld op de hoogte van naam of namen van deze getuigen.


Artikel 11


1. Het Gerecht kan deskundigen en tolken raadplegen of hun inzage van boeken of andere bescheiden opdragen.
2. De aanwijzing van deskundigen en tolken geschiedt in het algemeen dan wel voor een bepaald geval.
3. Alvorens zijn taak te aanvaarden legt de deskundige of tolk in handen van de Voorzitter de eed of belofte af, dat hij de hem op te dragen werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar beste weten zal verrichten en geheim zal houden, wat geheim behoort te blijven.
4. Deskundigen en tolken, op last van het Gerecht opgeroepen, kunnen op hun verzoek een vergoeding ten laste van het Land ontvangen. De tarieven voor het vaststellen van een vergoeding worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.


Artikel 12


1. De deskundigen brengen een schriftelijk verslag uit, dat door het Gerecht aan beide partijen in afschrift toegezonden wordt.
2. Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld, binnen een bepaalde, voor beide gelijke, door de voorzitter te bepalen termijn van ten minste vijf dagen, schriftelijk en in tweevoud van haar gevoelen te doen blijken.
3. Voor zover partijen van de geboden gelegenheid gebruik maken, wordt haar schriftelijke uiteenzetting in afschrift toegezonden aan de wederpartij.


Artikel 13


1. Indien het Gerecht heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 10, onderdeel b of in artikel 11, worden partijen, nadat zij van elkanders schrifturen hebben kunnen kennis nemen, opnieuw in de gelegenheid gesteld haar standpunt mondeling toe te lichten.
2. Zij worden daartoe, met overeenkomstige toepassing van artikel 8, door de griffier in kennis gesteld met het voor de verdere behandeling bepaalde tijdstip.


Artikel 14


1. De uitspraak van het Gerecht is met redenen omkleed en geschiedt in het openbaar. Zij vermeldt wanneer en door wie zij is vastgesteld en wordt door de voorzitter en door de griffier ondertekend. Het gerecht kan bepalen dat de hiervoor genoemde uitspraak in een van de hierna te noemen gevallen met gesloten deuren zal plaats hebben:
a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden,
b. in het belang van de veiligheid van het Land,
c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen, of
d. indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging zou schaden.
2. Indien de voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt om de uitspraak te ondertekenen, wordt zulks verricht door een van de leden, die over de zaak gezeten hebben. Indien de griffier verhinderd is de uitspraak te ondertekenen, wordt daarvan op de uitspraak melding gemaakt.
3. Afschrift van de uitspraak wordt door de griffier gelijktijdig aan de belanghebbende en aan de Inspecteur gezonden. Tevens zendt de griffier de stukken aan de rechthebbende terug.
4. Het Gerecht kan bepalen dat de uitspraak, bedoeld in het eerste lid, geheel gedeeltelijk zal plaatshebben met gesloten deuren:
5. In het belang van de openbare orde of de goede zeden;
6. In het belang van de veiligheid van het Land;
7. Indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen; of
8. Indien openbaarheid het belang van een goede rechtspleging zou schaden.


Artikel 15


1. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De belanghebbende kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht.
2. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld over de kosten waarop de veroordeling, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop de hoogte van de kosten wordt vastgesteld.
3. In geval van intrekking van het beroep, omdat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de betreffende partij is tegemoet gekomen, kan de Inspecteur op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
4. Het Gerecht stelt de partij, bedoeld in het derde lid, zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten en stelt de Inspecteur in de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Het Gerecht stelt hiervoor termijnen vast.
5. Voor zover de uitspraak verplicht tot betaling van een geldbedrag, kan zij ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In geval van een vergoeding van de kosten ten behoeve van een partij aan wie een toevoeging is verleend krachtens het Landsbesluit kosteloze rechtskundige bijstand1, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de griffier.

 

Artikel 16

 

(vervallen)


Artikel 17


1. Wanneer de uitspraak van de Raad een belasting betreft, welke door middel van aanslagen wordt geheven, wordt door de verhoging als bedoeld in het vorige artikel door de Inspecteur een nadere aanslag vastgelegd.
2. Indien de uitspraak van de Raad een aanslag in de grondbelasting betreft en die uitspraak een wijziging in de legger van aanslagen tengevolge heeft, wordt die wijziging door of vanwege de Inspecteur aangebracht.



HOOFDSTUK 2
Hoger beroep

 

Artikel 17a

 


1. Tegen een uitspraak van het Gerecht als bedoeld in artikel 14 kunnen partijen hoger beroep in stellen bij het Hof.
2. De partij die hoger beroep instelt, wordt aangeduid als appellant in hoger beroep, de wederpartij als verweerder in hoger beroep.
3. Op het instellen en behandelen van het hoger beroep is het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk van toepassing.


Artikel 17b


1. Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid.
2. Het hoger beroep wordt ingesteld door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift.
3. Artikel 5, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.


Artikel 17c

 

1. Het beroepschrift in hoger beroep is met redenen omkleed.
2. Indien de appellant in hoger beroep niet heeft voldaan aan het eerste lid, stelt de griffier hem in de gelegenheid binnen een daarbij te stellen termijn het beroepschrift aan te vullen.
3. Indien binnen de gestelde termijn het beroepschrift in hoger beroep niet is aangevuld, kan het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.


Artikel 17d


1. De griffier zendt onverwijld een afschrift van het beroepschrift in hoger beroep en van de daarbij behorende bescheiden aan de verweerder in hoger beroep.
2. De verweerder in hoger beroep kan binnen twee maanden na de dag van verzending van het beroepschrift een verweerschrift indienen. Deze termijn kan door het Hof op een met redenen omkleed schriftelijk verzoek worden verlengd.


Artikel 17e


De griffier zendt een afschrift van het verweerschrift onverwijld aan de appellant in hoger beroep.

 

Artikel 17f

 

Op de behandeling van het hoger beroep zijn voorts de artikelen 7a tot en met 15 en 17 van overeenkomstige toepassing.


Artikel 17g


1. Het Hof bevestigt de uitspraak, hetzij met overneming hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen het Gerecht had behoren te doen.
2. Wanneer het Gerecht de onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met bevoegd verklaring van het Gerecht onderscheidenlijk ontvankelijk verklaring van het beroep, wordt de zaak terugverwezen naar het Gerecht om te worden hervat in de stand waarin de behandeling zich bevond. Tegen de nieuwe uitspraak van het Gerecht staat hoger beroep open overeenkomstig dit hoofdstuk.

 

HOOFDSTUK 3
Slotbepalingen

 

Artikel 18



1. Van de indiener van een beroepschrift als bedoeld in artikel 5, eerste lid, en artikel 17b, tweede lid, wordt ten behoeve van ‘'s Landskas een griffierecht geheven.
2. De hoogte van de griffierechten, bedoeld in het eerste lid, wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.
3. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het griffierecht binnen zes weken na de verzending van zijn mededeling dient te zijn betaald aan het Gerecht onderscheidenlijk het Hof.
4. Indien het griffierecht niet tijdig is betaald, wordt het beroep onderscheidenlijk hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
5. Indien het Gerecht onderscheidenlijk het Hof het beroep onderscheidenlijk het hoger beroep van een belanghebbende onderscheidenlijk een appellant geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat de Inspecteur het door de indiener van het beroepschrift betaalde griffierecht vergoedt.


Artikel 19


Alle niet in artikel 18artikel genoemde geschriften voortvloeiende uit de toepassing van deze landsverordening zijn vrijgesteld van zegelbelasting en worden, indien registratie wordt verlangd, kosteloos geregistreerd.


Artikel 20


1. Bij overlijden van de belanghebbende dan wel de appellant reden zijn erfgenamen in zijn plaats; wat oproepingen en toezending van stukken betreft, voor zover het overlijden bekend is.
2. De in het eerste lid genoemde erfgenamen kunnen worden vertegenwoordigd door hun executeur testamentair of de bewindvoerder over de nalatenschap.


Artikel 21


Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening op het beroep in belastingzaken.


Artikel 22


(vervallen)

 

[1] P.B. 1959, no. 198.

Naar boven
Uw mening