Landsverordening identificatie bij dienstverlening - Informashon tokante Gobièrnu di Kòrsou

Wet- en Regelgeving

Landsverordening identificatie bij dienstverlening

Publicatienummer: P.B. 2017, no. 92, zoals laatstelijk gewijzigd bij   P.B. 2024, no. 157 (Geconsolideerde Tekst)
Categorie: Geconsolideerde Tekst Landsverordening
Onderwerp(en): Identificatie bij dienstverlening
Ministerie: Financiën
Datum ondertekening: 02-10-2017
Datum inwerktreding: 01-11-1997
Geregistreerd in:
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XV Justitie )


LANDSBESLUIT van de 2de oktober 2017, no. 17/2718 houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening

Datum inwerking-treding Terugwerkende kracht tot en met Datum ingetrokken Betreft Vindplaats Zittingsjaar
24-12-2024 n.v.t. n.v.t. Art 1, lid 1, ond. b, onder 11°; art. 2b, ond. c; art 2e, lid 1, ond. a. P.B. 2024, no. 157 2024-2025-215
16-05-2024 n.v.t. n.v.t. artt. 1, 2, 2a-2c, 2e, 3-5, 5a-5i, 6-8, 8a, 8b, 9, 9a, 9i, 9j, 9r, 9s, 9u, 9v, 10, 10a en 11 P.B. 2024, no. 41 2023-2024 -117
n.v.t. n.v.t. n.v.t. geconsolideerde tekst P.B. 2017,  no. 92 n.v.t.
n.v.t. n.v.t. n.v.t. inwerkingtredings-landsbesluit P.B. 2017, no. 53 n.v.t.
17-06-2017 n.v.t. n.v.t. artikel 9x P.B. 2016, no. 79 17-06-2017
n.v.t. n.v.t. n.v.t. inwerkingtredings-landsbesluit P.B. 2015, no. 84 n.v.t.
01-01-2016 n.v.t. n.v.t. artt. 1, 2, 2a-2e, 3, 5, 5a-5i, 7, 8a-8b, 9, 9a-9r, 9v-9z, 9aa-9ll, 10, 10a, 11, 12, 12a en 14 P.B. 2015, no. 69

 

2015-2016 -062
15-11-2011 n.v.t. n.v.t. artt. 9, lid 1 en 2; 9c, lid 1 en 9d, lid 2 P.B. 2011, no. 49 2010-3615
n.v.t. n.v.t. n.v.t. geldende tekst P.B. 2010, no. 40 n.v.t.
n.v.t. n.v.t. n.v.t. Inwerkingtredings­landsbesluit P.B. 2010, no. 22 n.v.t.
15-05-2010 n.v.t. n.v.t. artt. 1 t/m9, 9a t/m 9f, 10-12; 14 P.B. 2009, no. 66 2008-2009 -3418
06-12-1997 n.v.t. n.v.t. artt. 3, 4 en 9 P.B. 1997, no. 294 1996-1997 -1939
01-10-1997 n.v.t. n.v.t. artt. 10 en 11 P.B. 1997, no. 237 1996-1997 -1926
n.v.t. n.v.t. n.v.t. inwerkingtredings­landsbesluit P.B. 1997, no. 269 n.v.t.
01-11-1997 n.v.t. n.v.t. basisregeling P.B. 1996, no. 23 1995-1996 -1803

 

DOORLOPENDE TEKST

Artikel 1

  1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
    a. dienstverlener: een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verricht;
    b. dienst: het door een dienstverlener in of vanuit Curaçao:
    1° in bewaring nemen van effecten, bankbiljetten, munten, muntbiljetten, edele metalen en andere waarden;
    2° openstellen van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden;
    3° verhuren van een safe-loket;
    4° verrichten van een uitbetaling ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren;
    5° sluiten of bemiddelen bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf tegen een premie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf boven een door de Minister te bepalen bedrag;
    6° doen van een uitkering uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst als bedoeld onder 5 welke meer bedraagt dan een door de Minister te bepalen bedrag;
    7° verlenen van een dienst ter zake van een transactie of van kennelijk met elkaar samenhangende transacties, met een tegenwaarde of gezamenlijke tegenwaarde welke gelijk is aan dan wel meer bedraagt dan een door de Minister te bepalen bedrag, dat voor onderscheiden soorten van transacties verschillend kan zijn;
    8° crediteren of debiteren dan wel doen crediteren of debiteren van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere valuta kan worden aangehouden;
    9° aangaan van een verplichting tot betaling ten behoeve van de houder van een creditcard aan degene die het vertoon van die creditcard bij wijze van betaling heeft aanvaard, het uitgeven van creditcards of het beheer van creditcards, waaronder in elk geval wordt verstaan de uitvoering van betalingstransacties via creditcard. Voor wat betreft creditcards die alleen gebruikt kunnen worden bij de onderneming of instelling, die behoort tot dezelfde economische eenheid waarin de rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden, is er geen sprake van een dienst;
    10° in het kader van een geldelijke overmaking door middel van communicatie, berichtgeving, overmaking of door middel van een clearing netwerk waartoe de dienstverlener behoort, in ontvangst nemen van gelden of geldswaarden, ten einde deze gelden of geldswaarden al dan niet in dezelfde vorm elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het in het kader van een geldelijke overmaking betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden, nadat deze gelden of geldswaarden elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld;
    11° a. organiseren van of gelegenheid geven tot hazardspelen, casino’s en loterijen;
    b. organiseren van of gelegenheid geven tot kansspelen op afstand als bedoeld in de Landsverordening op de kansspelen;
    c. leveren van kritieke diensten of goederen onder een vergunning als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, Landsverordening op de kansspelen.
    12° handelen in, verhuren van, leasen van, dan wel als tussenpersoon optreden ter zake van het aan- of verkopen van registergoederen, het vestigen van rechten waaraan registergoederen kunnen zijn onderworpen dan wel het optreden als projectontwikkelaar ter zake de ontwikkeling en realisatie van registergoederen;
    13° het verhuren van, leasen van of handelen in voertuigen en vaartuigen dan wel in edelstenen, edele metalen, sieraden, juwelen, bouwmaterialen dan wel andere bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen zaken van grote waarde dan wel het bemiddelen daarbij boven een door de Minister te bepalen bedrag, dat voor de onderscheiden soorten van zaken verschillend kan zijn;
    14° verlenen van beheersdiensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Landsverordening toezicht trustwezen;
    15° geven van advies dan wel het verlenen van bijstand door de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, die als advocaat, notaris of kandidaat-notaris, accountant, belastingadviseur dan wel als deskundige op juridisch, fiscaal of administratief gebied, dan wel in de uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden verricht, bij:
    a. het aan- of verkopen van registergoederen en het vestigen van rechten waaraan
    registergoederen kunnen zijn onderworpen;
    b.   het beheren van geld, effecten, munten of muntbiljetten, al dan niet op een bank- spaar- of effectenrekening, respectievelijk edele metalen, edelstenen of andere waarden;
    c. het oprichten, exploiteren of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of
    soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen dan wel het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer daarvan
    d. het aan- of verkopen van aandelen in, of het geheel of gedeeltelijk aan- of verkopen
    dan wel overnemen van ondernemingen, vennootschappen, rechtspersonen of
    soortgelijke lichamen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de
    Algemene landsverordening Landsbelastingen
    e. het optreden als externe registeraccountant of externe accountant-
    administratieconsulent, het leveren van forensische accountancydiensten, dan wel
    daarmee vergelijkbare activiteiten;
    16° vragen of verkrijgen van gelden of andere goederen ter collectieve belegging teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;
    17° al dan niet tegen vergoeding verlenen van administratieve diensten ten behoeve van beleggingsinstellingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
    a. het voeren van het bestuur van een beleggingsinstelling, zoals het beschikbaar stellen van natuurlijke personen of rechtspersonen die als directeur, vertegenwoordiger of andere leidinggevende functionaris onder meer belast zijn met het nemen van beslissingen;
    b. het administreren, zoals onder andere het voeren van de boekhouding, alsmede het verkrijgen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen of doen functioneren van een beleggingsinstelling, respectievelijk het verkrijgen, vastleggen en verwerken van inschrijvingen, het inleveren van effecten in beleggingsinstellingen en het verstrekken van informatie aan de gerechtigden tot die effecten;
    c. het verlenen van domicilie en kantoorfaciliteiten ten behoeve van beleggingsinstellingen;
    18° aanbieden van factoringdiensten;
    19° door een kredietverstrekker verlenen van kredieten, waaronder in ieder geval begrepen hypothecaire- en consumentenkredieten, en het stellen van financiële zekerheid, waaronder het verlenen van garanties en het stellen van borgtochten en   financiële leasing;
    20° handelen in:
    a. instrumenten van de geldmarkt, zoals cheques, wissels, certificaten van aandelen en derivaten;
    b. wisselkoers-, rentepercentage- en indexinstrumenten;
    c. overdraagbare effecten;
    d. termijnmarktgoederen;
    21° participeren in de handel in effecten en de daarmee verband houdende financiële dienstverlening;
    22° individueel en collectief portfolio beheren, alsmede het investeren, administreren of beheren van gelden ten behoeve van derden;
    23° optreden als vertegenwoordiger van een trust als bedoeld in Titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;
    24˚ wisselen van guldens of vreemde valuta;
    25˚ als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden, gericht op de totstandkoming van transacties in effecten voor rekening van een cliënt;
    26˚ op grond van een overeenkomst, anders dan als beheerder van een beleggingsinstelling, op discretionaire basis het beheer voeren over effecten die toebehoren aan een cliënt, of over aan een cliënt toebehorende middelen ter belegging in effecten, daaronder begrepen het verrichten of doen verrichten van effectentransacties voor rekening van de cliënt met wie de overeenkomst is gesloten;.
    27˚ verlenen van betaaldiensten;
    28˚ uitgeven en aanbieden van elektronisch geld;
    29˚ actief zijn als virtuele activa dienstverlener;
    30° verlenen van andere bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen diensten.
    c. cliënt: een ieder aan wie een dienst wordt verleend, daaronder begrepen in geval van een dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 5 en 6, degene die de premie betaalt alsmede degene aan wie de uitkering wordt gedaan, en in geval van een dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 12˚, degene aan wie de dienst wordt verleend, alsmede diens wederpartij in het kader van het registergoed waarop de dienst betrekking heeft;
    d. de Minister: de Minister van Financiën;
    e. kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen;
    f. verzekeringsbedrijf: een verzekeringsbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf;
    g. (vervallen)
    h. FIU: de Financiële Inlichtingen Eenheid Curaçao, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties;
    i. Toezichthouder: naar de onderscheiding gemaakt in artikel 11, eerste lid, de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, de FIU onderscheidenlijk de Stichting Gaming Control Board;
    j. uiteindelijk gerechtigden:
    1˚. de natuurlijke personen:
    a. die onmiddellijk of middellijk voor 25 procent of meer eigenaar zijn van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen of de natuurlijke personen die onmiddellijk of middellijk voor 25 procent of meer van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen over dat lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen;
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, de natuurlijke personen voor wiens rekening een transactie wordt verricht;
    c. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdelen a en b, zijn achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdelen a en b, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel of het degene is voor wiens rekening de transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen. Indien er geen hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, is, de natuurlijke personen die bestuurslid of directielid zijn;
    2˚. als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. natuurlijke personen, die de uiteindelijke eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over de vennootschap, via: het onmiddellijk of middellijk houden van 25 procent of meer van de aandelen of een daarmee vergelijkbaar belang, 25 procent of meer van de stemrechten of een daarmee vergelijkbare uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen of 25 procent of meer van het eigendomsbelang in die vennootschap houden met inbegrip van het houden van toonderaandelen of andere middelen; of
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, van de vennootschap. Indien er geen hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, is, de natuurlijke persoon die bestuurslid of directielid is. Dit onderdeel 2˚, is van overeenkomstige toepassing op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap of vennootschappen naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvormen vergelijkbaar zijn;
    3˚. als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een vennootschap, bedoeld in titel 13 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. natuurlijke personen, die onmiddellijk of middellijk recht hebben op een aandeel in de winsten van de vennootschap van 25 procent of meer, die bij besluitvorming ter zake van wijziging van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de vennootschap, of ter zake van de uitvoering van die overeenkomst anders dan door daden van beheer, onmiddellijk of middellijk 25 procent of meer van de stemmen kunnen uitoefenen voor zover in die overeenkomst besluitvorming bij meerderheid van stemmen is voorgeschreven, die bij ontbinding van de vennootschap onmiddellijk of middellijk recht hebben op een aandeel in de gemeenschap van 25 procent of meer, die uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen over de vennootschap; of
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, van de vennootschap. Indien er geen hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, is, de natuurlijke persoon die bestuurslid of directielid is. Dit onderdeel 3˚, is van overeenkomstige toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen, coöperaties, rederijen, commanditaire vennootschappen, open commanditaire vennootschappen, openbare vennootschappen, stille vennootschappen, fondsen voor gemene rekening of vennootschappen naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvormen vergelijkbaar zijn, alsmede op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een vennootschap;
    4˚. als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een vereniging in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. natuurlijke personen, die bij de besluitvorming ter zake van wijziging van de statuten van de vereniging, of ter zake van de uitvoering van die statuten anders dan door daden van beheer, onmiddellijk of middellijk 25 procent of meer van de stemmen kunnen uitoefenen voor zover in die statuten besluitvorming bij meerderheid van stemmen is voorgeschreven, die bij ontbinding van de vereniging onmiddellijk of middellijk recht hebben op een aandeel in de gemeenschap van 25 procent of meer, die uiteindelijke zeggenschap kunnen uitoefenen over de vereniging; of
    b. indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, geen van de personen, bedoeld in onderdeel a, is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of een persoon als bedoeld in onderdeel a, de uiteindelijke eigenaar is of uiteindelijke zeggenschap heeft, dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, de natuurlijke personen die behoren tot het hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, van de vereniging. Indien er geen hoger leidinggevend personeel, dat bindende beslissingen kan nemen, is, de natuurlijke persoon die bestuurslid of directielid is. Dit onderdeel 4˚, is van overeenkomstige toepassing op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een vereniging of entiteiten naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvorm vergelijkbaar zijn;
    5˚. als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een stichting in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. de oprichters;
    b. de bestuurders;
    c. voor zover van toepassing, de begunstigden, of voor zover de afzonderlijke personen die de begunstigden zijn van de stichting niet kunnen worden bepaald, de groep van personen in wier belang de stichting hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is; of
    d. elke natuurlijke persoon die via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de stichting uitoefent. Dit onderdeel 5˚, is van overeenkomstige toepassing op stichtingen particulier fonds, kerkgenootschappen, op andere juridische entiteiten vergelijkbaar met een stichting, alsmede op entiteiten naar buitenlands recht opgericht die met deze rechtsvorm vergelijkbaar zijn;
    6˚. als uiteindelijk gerechtigden worden in het geval van een trust in elk geval de volgende categorieën van natuurlijke personen aangemerkt:
    a. de oprichters;
    b. de trustees;
    c. voor zover van toepassing de protectors;
    d. de begunstigden, of voor zover de afzonderlijke personen die de begunstigden zijn van de trust niet kunnen worden bepaald, de groep van personen in wier belang de trust hoofdzakelijk is opgericht of werkzaam is;
    e. elke andere natuurlijke persoon die door onmiddellijk of middellijk eigendom of via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de trust uitoefent. Dit lid, is van overeenkomstige toepassing op andere juridische constructies vergelijkbaar met een trust, alsmede op constructies naar buitenlands recht opgericht die met de trust vergelijkbaar zijn.
    7˚. Indien de vennootschap zelf, de uiteindelijk gerechtigde of de eigenaar van de vennootschap een onderneming is die genoteerd is op een beurs en aldaar onderworpen is aan voldoende transparantie aangaande uiteindelijk gerechtigde(n) of indien de vennootschap, de uiteindelijk gerechtigde of eigenaar van de vennootschap een dochter of kleindochter is van een ter beurze genoteerde onderneming met een meerderheidsbelang in de betreffende dochter of kleindochter dan is het niet nodig om de identiteit van de aandeelhouder of uiteindelijk gerechtigde van een dergelijk vennootschap vast te stellen en te verifiëren. De betreffende identificatie gegevens dienen dan uit een openbaar register, van de betreffende vennootschap zelf of uit andere betrouwbare bronnen verkregen te worden.
    k. (vervallen)
    l. bouwmaterialen: materiaal en stoffen, natuurlijk of kunstmatig vervaardigd, geschikt en gebruikt voor de fundering, constructie, beschutting en verfraaiing of verbetering van een registergoed;
    m. identificeren: opgave van de identiteit laten doen;
    n. verifiëren van de identiteit: vaststellen dat de opgegeven identiteit overeenkomt met de werkelijke identiteit;
    o. transactie: een handeling of samenstel van handelingen van of ten behoeve van een cliënt, waarvan de dienstverlener in het kader van de dienstverlening aan die cliënt heeft kennisgenomen;
    p. zakelijke relatie: zakelijke, professionele, of commerciële relatie tussen een dienstverlener en een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die verband houdt met de professionele activiteiten van die dienstverlener en waarvan op het tijdstip dat het contact wordt gelegd, wordt aangenomen dat deze enige tijd zal duren;
    q. politiek prominente persoon: een natuurlijke persoon die een prominente publieke functie bekleedt of heeft bekleed, alsmede diens directe familieleden en naaste geassocieerden, of personen die een prominente functie hebben of hadden bij internationale organisaties, alsmede diens directe familieleden en naaste geassocieerden;
    r. (vervallen)
    s. respondentinstelling: De instelling die een vaste relatie heeft met een correspondentbank of met een verlener van andere vergelijkbare betrekkingen, in verschillende landen, voor de afwikkeling van transacties of de uitvoering van opdrachten;
    t. transitierekening: bankrekening die bij een in Curaçao gevestigde bank wordt aangehouden door een buitenlandse bank en die door een cliënt van laatstbedoelde bank gedebiteerd of gecrediteerd kan worden zonder tussenkomst van de in Curaçao gevestigde banken;
    u. bank: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen c en d, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen;
    v. shell bank: een buiten Curaçao gevestigde kredietinstelling die in het land van statutaire vestiging geen fysieke aanwezigheid heeft en die niet gebonden is aan een dienstverleningsgroep die onderworpen is aan een effectieve vorm van geconsolideerd toezicht;
    w. dwangbevel: een schriftelijk bevel van de Toezichthouder dat ertoe strekt de betaling van een geldschuld af te dwingen;
    x. last onder dwangsom : de herstelsanctie inhoudende:
    a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding; en
    b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd;
    y. bestuurlijke boete : de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom;                                                                                                                      z. financieren van proliferatie : het opzettelijk, fondsen of andere vermogensbestanddelen ter beschikking stellen of financiële diensten verlenen, die geheel of gedeeltelijk worden aangewend voor de productie, verwerving, het bezit, de ontwikkeling, de uitvoer, de overslag, tussenhandel, het vervoer, de aanleg van voorraden of de verspreiding van massavernietigingswapens en aanverwante materialen en overbrengingsmiddelen daarvoor, met inbegrip van technologieën en programmatuur voor tweeërlei gebruik in het kader van massavernietigingswapens.
  2. Verrichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 10°, kunnen omvatten een of meerdere tussenpersonen en een laatste betaling aan een derde partij en kunnen eventuele nieuwe betalingsmethoden bevatten.
  3. Met betrekking tot verrichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 10°, wordt als dienst niet aangemerkt:  a. het in het kader van een premiebetaling uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst in ontvangst nemen van gelden of geldswaarden, ten einde deze gelden of geldswaarden al dan niet in dezelfde vorm elders betaalbaar te stellen of te doen stellen aan een instelling waaraan het op grond van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf is toegestaan het verzekeringsbedrijf in Curaçao uit te oefenen;
    b. het in het kader van een uitkering uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden, nadat deze gelden of geldswaarden elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld door een instelling waar aan het op grond van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf is toegestaan het verzekeringsbedrijf in Curaçao uit te oefenen.
  4. Als dienst wordt niet aangemerkt werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 15°, die verband houden met de bepaling van de rechtspositie van een cliënt, diens vertegenwoordiging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding, of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, voor zover verricht door een advocaat, notaris of kandidaat-notaris dan wel een accountant, optredende als onafhankelijk juridisch adviseur.
  5. In verband met het verlenen van diensten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 14°, zijn de bepalingen aangaande buitengaatse ondernemingen onverkort van toepassing op:           a. ondernemingen die niet naar Curaçaos recht zijn opgericht;
    b. entiteiten die naar Curaçaos recht zijn opgericht en in Curaçao zijn gevestigd, waarvan en waarin de belangen en activiteiten buiten Curaçao zijn gelegen en die niet kwalificeren voor een ontheffing van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 16, van de regeling Deviezenverkeer Curaçao en Sint Maarten.
  6. Bij ministeriële regeling met algemene werking wordt ter zake van de politiek prominente personen nader geregeld welke publieke functies het betreft en wat onder directe familieleden en naaste geassocieerden wordt verstaan.
  7. Bij ministeriële regeling met algemene werking kan het percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, subonderdelen 1˚ tot en met 6˚ worden aangepast.

Artikel 2

  1. De dienstverlener is verplicht ter voorkoming van witwassen, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie een cliëntenonderzoek te verrichten.
  2. Het cliëntenonderzoek stelt de dienstverlener in staat om:
    a. de identiteit van een cliënt vast te stellen en deze te verifiëren;
    b. de uiteindelijk gerechtigden te identificeren en op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om zijn identiteit te verifiëren;
    c. indien de cliënt een rechtspersoon of een trust als bedoeld in titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek betreft, op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om  inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt;
    d. het doel en het beoogde karakter van de zakelijke relatie vast te stellen; en
    e. de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties, voortdurend te controleren en te onderzoeken, teneinde te waarborgen dat deze overeenkomen met de kennis die de dienstverlener heeft van zijn cliënt en van zijn risicoprofiel, en waar nodig een onderzoek te doen naar de bron van de middelen die bij de zakelijke relatie of transactie gebruikt worden;
    f. vast te stellen of de natuurlijke persoon die de cliënt vertegenwoordigt daartoe bevoegd is;
    g. op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om te verifiëren of de cliënt voor zichzelf optreedt dan wel voor een derde;
    h. in voorkomend geval, de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel f, en de derde, bedoeld in onderdeel g, te identificeren en diens identiteit te verifiëren.
  3. De dienstverlener verricht het cliëntenonderzoek in de volgende gevallen:
    a.    het in of vanuit Curaçao aangaan van een zakelijke relatie;
    b.  het in of vanuit Curaçao verrichten van een incidentele transactie, of twee of meer transacties waartussen een verband bestaat met een waarde of tegenwaarde welke gelijk is aan dan wel meer bedraagt dan een door de Minister te bepalen bedrag, dat voor de onderscheiden soorten van diensten verschillend kan zijn;
    c. indien er een vermoeden bestaat dat de cliënt betrokken is bij witwassen of financiering van terrorisme of het financieren van proliferatie;
    d. indien hij twijfelt aan de betrouwbaarheid of adequaatheid van eerder verkregen gegevens van de cliënt;
    e. indien bij het verlenen van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7o, niet bekend is welk bedrag daarmee gemoeid is;
    f. indien de premie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5o, de uitkering, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 6o of het bedrag van de transactie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7o, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienst betrekking heeft op een transactie die aan de hand van de ingevolge artikel 10 van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties vastgestelde indicatoren als een ongebruikelijke transactie wordt aangemerkt;
    g. indien de premie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5o, de uitkering bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 6o, of het bedrag van de transactie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7o, kleiner is dan het ingevolge die bepalingen vastgestelde bedrag, maar de dienstverlener weet of redelijkerwijs vermoedt dat de transactie waarop de dienst betrekking heeft deel uitmaakt van een geheel van met elkaar samenhangende transacties, waarbij verschillende instellingen zijn betrokken.
  4. De dienstverlener stemt het cliëntenonderzoek af op de risicogevoeligheid voor witwassen of financiering van terrorisme of het financieren van proliferatie van het type cliënt, zakelijke relatie, dienst, product of transactie die wordt verleend.
  5. Door de Minister kan vrijstelling van het in het eerste en derde lid bepaalde worden verleend indien de diensten die worden aangeboden niet tot de hoofdactiviteit behoren van de natuurlijke- en rechtspersonen die de diensten aanbiedt en het risico van witwassen of financiering van terrorisme of het financieren van proliferatie beperkt is. Bij ministeriële regeling met algemene werking worden nadere regels gesteld.
  6. De Minister kan op verzoek ontheffing verlenen van het in het eerste en derde lid bepaalde.
  7. Aan een vrijstelling als bedoeld in het vijfde lid en aan een ontheffing als bedoeld in het zesde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. Het is een dienstverlener verboden om in strijd met de beperkingen en voorschriften, bedoeld in de eerste volzin, te handelen.
  8. De Toezichthouder kan voorschriften geven aan de dienstverleners in het kader van de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid, rekening houdend met de risico’s die samenhangen met het verlenen van de diensten. Een dienstverlener is verplicht volledig uitvoering te geven aan de door de Toezichthouder uitgevaardigde voorschriften.

Artikel 2a

  1. Een dienstverlener voldoet aan artikel 2, tweede lid, onderdelen a, b en c, voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een incidentele transactie als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd.
  2. Het is de dienstverlener verboden een dienst te verlenen, indien hij niet kan voldoen aan de verplichtingen opgenomen in artikel 2, of indien het cliëntenonderzoek, bedoeld in artikel 2, niet heeft geleid tot het resultaat, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b, c, d, f, g, en h.
  3. Indien de dienstverlener reeds een zakelijke relatie met de cliënt heeft en de dienstverlener niet kan voldoen aan artikel 2, eerste en tweede lid, beëindigt de dienstverlener de zakelijke relatie.

Artikel 2b

In afwijking van artikel 2a, eerste lid, doch onverminderd artikel 2, derde lid, onderdelen c en d, is het een dienstverlener:
a.  toegestaan om de identiteit van de cliënt en, indien van toepassing, de identiteit van de uiteindelijk gerechtigden te verifiëren tijdens het aangaan van de zakelijke relatie, indien dit noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en indien er weinig risico op witwassen, het financieren van terrorisme of het financieren van proliferatie bestaat. In dat geval verifieert de instelling de identiteit zo spoedig mogelijk na het eerste contact met de cliënt;
b.  die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, verricht, toegestaan een rekening te openen voordat de verificatie van de identiteit van de cliënt heeft plaatsgevonden, indien zij waarborgt dat deze rekening niet kan worden gebruikt voordat de verificatie heeft plaatsgevonden;
c.    die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, verricht, toegestaan de begunstigde van een polis te identificeren en de identiteit te verifiëren nadat de zakelijke relatie is aangegaan. In dat geval vindt het identificeren en het verifiëren van de identiteit plaats op of voor het tijdstip van uitbetaling, dan wel op of voor het tijdstip waarop de begunstigde zijn rechten krachtens de polis wil uitoefenen;
d. die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 11°, onder a en b, verricht, toegestaan de verificatie te laten plaatsvinden wanneer zij in of vanuit Curaçao een incidentele transactie, of twee of meer transacties waartussen een verband bestaat met een waarde of tegenwaarde gelijk aan of meer dan NAf 4.000,- verricht, dan wel in het kader van een zakelijke relatie één of meer transacties met een waarde of tegenwaarde gelijk aan of meer dan NAf 4.000,- verricht, mits zij waarborgt dat er geen nieuwe transacties worden uitgevoerd zolang de verificatie niet is voltooid. De bedragen genoemd in de vorige volzin kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden aangepast.
d.   die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 11°, verricht, toegestaan de verificatie te laten plaatsvinden wanneer zij in of vanuit  Curaçao  een  incidentele  transactie,  of twee  of meer transacties waartussen een verband bestaat met een waarde of tegenwaarde gelijk aan of meer dan NAf 4.000,- verricht, dan wel in het kader van een zakelijke relatie één of meer transacties met een waarde of tegenwaarde gelijk aan of meer dan NAf 4.000,- verricht, mits zij waarborgt dat er geen nieuwe transacties worden uitgevoerd zolang de verificatie niet is voltooid. De bedragen, genoemd in de vorige volzin, kunnen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden aangepast;
e.    die een notaris is, toegestaan de identiteit van de voor hem verschijnende personen te verifiëren, alsmede de identiteit van de uiteindelijk gerechtigde, uiterlijk op het moment dat identificatie op grond van de artikelen 30 en 31 van de Landsverordening op het notarisambt  is vereist, mits dit noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en de risico’s van witwassen, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie effectief worden beheerst.

Artikel 2c

  1. Artikel 2 is niet van toepassing op een dienstverlener, indien het cliëntenonderzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, door een derde wordt verricht en bovendien vast staat dat:
    a. de of derde ook onderworpen is aan een identificatie- en verificatieplicht;
    b. het toezicht op de regels ter uitvoering van de identificatie- en verificatieplicht in het land van herkomst van de derde, effectief is;
    c. de derde onmiddellijk informatie geeft over de verrichte maatregelen die ter uitvoering strekken tot de identificatie- en verificatieplicht;
    d. de dienstverlener over kopieën van de originele identiteitsgegevens en andere relevante documentatie met betrekking tot de identificatie- en verificatieplicht in zijn dossier beschikt.
  2. Een cliëntenonderzoek is voorts niet nodig indien de dienstverlener een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5o en 6o, verricht, voor zover het betreft een door een verzekeringsbedrijf aangeboden pensioen-verzekering, tenzij deze wordt afgekocht of als zekerheidsstelling dient.

Artikel 2d

  1. De meldingsplicht, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties is van overeenkomstige toepassing indien een cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet leidt tot het in artikel 2, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, f, g en h, bedoelde resultaat of een zakelijke relatie wordt beëindigd ingevolge artikel 2a, derde lid, en er tevens een vermoeden bestaat dat de cliënt betrokken is bij witwassen of financiering van terrorisme of het financieren van proliferatie.
  2. Bij de melding van een transactie als bedoeld in het eerste lid ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties verstrekt de dienstverlener naast de gegevens bedoeld in genoemd artikel 11, tweede lid, een beschrijving van de redenen waarom het cliëntenonderzoek niet leidde tot het in artikel 2, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, f, g en h bedoelde resultaat, of de redenen waarom niet kon worden voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2a, derde lid.

Artikel 2e

  1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5a, 5b, 5c, 5d, 5e en 5i, is artikel 2, eerste lid, derde lid, aanhef, en onderdelen a, b en d, en vierde lid en artikel 2a, eerste lid, niet van toepassing ten aanzien van de volgende cliënten:
    a. een onderneming of instelling die een vergunning heeft als bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen ofwel een verzekeringsbedrijf die over een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf beschikt, ofwel een beleggingsinstelling of een administrateur die over een vergunning als bedoeld in artikel 3 respectievelijk 14 van de Landsverordening toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs beschikt ofwel een trustkantoor dat over een vergunning als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Landsverordening toezicht trustwezen beschikt ofwel een effectenbemiddelaar of een vermogensbeheerder die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 13 van de Landsverordening toezicht effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders  ofwel een assurantiebemiddelaar die  over een vergunning als bedoeld  in artikel 4 van de Landsverordening assurantiebemiddelingsbedrijf beschikt; ofwel een naamloze of besloten vennootschap die over een vergunning als bedoeld in de artikelen 1.2, eerste lid, of 1.5, eerste lid, Landsverordening op de kansspelen beschikt;
    b. ondernemingen of instellingen als bedoeld onder a, die zijn gevestigd of hun zetel hebben in een door de Minister aan te wijzen land;
    c. een naamloze vennootschap waarvan alle aandelen in handen zijn van het Land Curaçao;
    d. het Land Curaçao en andere in het Land Curaçao ingestelde publiekrechtelijke rechtspersonen;
    e. rechtspersonen die effecten hebben uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een effectenbeurs die lid is van de World Federation of Exchanges en gevestigd is in een bij regeling van onze Minister aan te wijzen land.
  2. Een dienstverlener verzamelt voldoende gegevens om te kunnen vaststellen of sprake is van een cliënt als bedoeld in het eerste lid.
  3. Door de Minister kunnen categorieën van ondernemingen of instellingen worden aangewezen ten aanzien waarvan het eerst lid van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 3

  1. Indien de cliënt een natuurlijke persoon is, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een van de volgende, in het land van uitgifte, geldige documenten:
    a. een rijbewijs;
    b. een identiteitskaart;
    c. een reisdocument of paspoort;
    d. een ander door de Minister aan te wijzen document.
    Indien de natuurlijke persoon niet fysiek aanwezig is voor identificatie, geschiedt de identificatie en verificatie met inachtneming van de specifieke risico’s die samenhangen met zakenrelaties of transacties zonder persoonlijk contact. De Toezichthouder stelt te dien aanzien voorschriften vast ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande dienstverleners, rekening houdend met de risico’s die samenhangen met het type cliënt, zakelijke relatie, dienst, product of transactie die wordt verleend en met geografische risicofactoren. Een dienstverlener is verplicht volledig uitvoering te geven aan de door de Toezichthouder uitgevaardigde voorschriften en richtlijnen.
  2. Indien de cliënt een rechtspersoon of vennootschap is, wordt de identiteit vastgesteld met behulp van een gewaarmerkt uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel en Nijverheid, of een soortgelijke instelling, in het land van vestiging, dan wel met behulp van een door de dienstverlener op te maken identificatie-document.
    Het uittreksel dan wel het identificatie-document dient ten minste de door de Minister te bepalen gegevens te bevatten. De directeuren, gemachtigden en vertegenwoordigers van een rechtspersoon of vennootschap worden overeenkomstig het eerste lid geïdentificeerd.
  3. Indien de cliënt een Curaçaose publiekrechtelijke rechtspersoon is, kan de identiteit, onverminderd het tweede lid, tevens worden vastgesteld door een verklaring van de directie. Indien het een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon betreft, kan onverminderd het tweede lid volstaan worden met een verklaring van het bevoegde gezag.
    Deze verklaringen dienen ten minste de door de Minister te bepalen gegevens te bevatten.
  4. Indien er een uiteindelijk gerechtigden is dan dient deze op dezelfde wijze geïdentificeerd te worden als aangegeven in het eerste, tweede of derde lid.
  5. De dienstverlener is verplicht de identiteit van de cliënt en de uiteindelijke gerechtigde  te verifiëren aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bronnen. Door de Minister kunnen, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, documenten, gegevens of inlichtingen worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan de verificatieplicht, bedoeld in de eerste volzin.
  6. De dienstverlener neemt op risico gebaseerde en adequate maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens die ingevolge artikel 2, tweede lid, zijn verzameld met betrekking tot cliënten, uiteindelijk gerechtigden of zakelijke relaties, actueel gehouden worden.
  7. (vervallen)

Artikel 4

  1. In afwijking van artikel 3 is aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 2 voldaan, indien de dienstverlener voor de vaststelling van de identiteit van een cliënt gebruik maakt van de gegevens die hij bij een eerder aan die cliënt verleende dienst overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening heeft vastgesteld.
  2. Aan de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is met betrekking tot de dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5 en 6 voldaan indien de eerste premiebetaling wordt gedaan ten laste van, dan wel de uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst wordt betaald ten gunste van een rekening van de cliënt bij een kredietinstelling die geregistreerd is ingevolge artikel 11 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen of een verzekeringsbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf of een kredietinstelling of verzekeringsbedrijf met zetel in een staat door de Minister aan te wijzen.
  3. Aan de verplichting, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is met betrekking tot de dienst, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1, 2, 4 en 7, voor zover verband houdend met de handel in effecten, voldaan indien de eerste betaling die met de dienst verband houdt door de cliënt wordt gedaan of indien een betaling aan de cliënt wordt gedaan ten laste of ten gunste van een rekening van die cliënt bij een kredietinstelling die geregistreerd is ingevolge artikel 11 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen of een kredietinstelling met zetel in een staat die door de Minister is aangewezen.
  4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing in door de Minister aan te wijzen gevallen.
  5. De leden twee tot en met vier zijn niet van toepassing indien de dienst betrekking heeft op een transactie die als een ongebruikelijke transactie in de zin van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties dient te worden aangemerkt, of als artikel 5, vierde lid, van toepassing is.

Artikel 5

  1. De dienstverlener is verplicht de identiteit van de natuurlijke persoon die namens een cliënt of namens een vertegenwoordiger van een cliënt handelt overeenkomstig de artikelen 3 en 4 vast te stellen voordat hij de dienst verleent.
  2. De dienstverlener is verplicht na te gaan of de natuurlijke persoon voor zichzelf optreedt dan wel voor een derde.
  3. Indien de natuurlijke persoon optreedt voor een derde is de dienstverlener verplicht de identiteit van die derde vast te stellen met behulp van door de natuurlijke persoon over te leggen documenten, bedoeld in artikel 3, tenzij artikel 2c, eerste lid, van toepassing is. Indien de derde optreedt voor een andere derde, is de dienstverlener verplicht de identiteit van die andere derde op dezelfde wijze vast te stellen, tenzij artikel 2c, eerste lid, van toepassing is.
  4. Indien de dienstverlener weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de natuurlijke persoon die voor hem verschijnt niet voor zichzelf optreedt, dient hij redelijke maatregelen te treffen teneinde de identiteit van de cliënt voor wie hij optreedt en, ingeval van vertegenwoordiging van een cliënt door een derde van die vertegenwoordiger te achterhalen.
  5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de natuurlijke persoon een dienstverlener is dan wel optreedt namens een dienstverlener waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van toepassing is, mits die dienstverlener de identiteit van de derde voor wie zij optreedt overeenkomstig deze landsverordening dan wel overeenkomstig de wetgeving van een door de Minister aangewezen staat heeft vastgesteld.
  6. Door de Minister kan vrijstelling en, op verzoek, ontheffing worden verleend van het derde en vierde lid. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Artikel 5a

  1. Een dienstverlener die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b verleent, draagt er zorg voor dat zij over een op risico gebaseerde procedure beschikt om te bepalen of een cliënt of de uiteindelijk gerechtigde een politiek prominente persoon is.
  2. Onverminderd artikel 2, eerste lid, draagt een dienstverlener die een zakelijke relatie aangaat of voortzet met een politiek prominente persoon, er tevens zorg voor dat:
    a. de beslissing tot het aangaan of voortzetten van die relatie wordt genomen of wordt goedgekeurd door personen die de algehele leiding hebben;
    b. zij op risico gebaseerde en adequate maatregelen treft om de bron van het vermogen van de politiek prominente persoon en de fondsen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden vast te stellen;
    c. zij doorlopend verscherpt controle uitoefent op de zakelijke relatie.
  3. Een dienstverlener die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, verricht, treft redelijke maatregelen om op of voor het tijdstip van uitbetaling te bepalen of de begunstigden en, indien vereist, de uiteindelijke gerechtigde van de begunstigde politiek prominente personen zijn. Indien er hogere risico’s zijn geïdentificeerd voldoet de dienstverlener naast het verrichten van normaal cliëntenonderzoek aan:
    a. het informeren van de personen die de algehele leiding hebben voordat overgegaan wordt tot uitbetaling; en
    b. het schenken van bijzondere aandacht aan de zakelijke relatie met de polishouder en te overwegen een melding te doen ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties.

Artikel 5b

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, is de dienstverlener, die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, 8˚, 9˚, 10˚, 27˚ of 28˚, verleent, ten aanzien van grensoverschrijdende correspondentbankieren en andere vergelijkbare betrekkingen uitoefent tevens verplicht om:
a.   voldoende informatie te verzamelen over de respondentinstelling, teneinde:
1o een volledig beeld te krijgen van de aard van haar bedrijfsvoering;
2o  haar reputatie op grond van openbare informatie vast te stellen;
3o de kwaliteit van het toezicht op de respondentinstelling met inbegrip van de vraag of deze betrokken is geweest bij een onderzoek naar witwassen of   financiering van terrorisme of het financieren van proliferatie, op grond van openbare informatie te beoordelen;
4o informatie te verkrijgen over mogelijke maatregelen van de toezichthouder;
5o de maatregelen en procedures van de respondentinstelling op het gebied van witwassen ,het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie te beoordelen.
b.  toestemming te verkrijgen van de personen die belast zijn met de algehele leiding van de dienstverlener alvorens de nieuwe betreffende relatie aan te gaan;
c.   de verantwoordelijkheden van beide instellingen schriftelijk vast te leggen;
d. met betrekking tot transitierekening zich ervan te vergewissen dat de respondentbank de identiteit van de cliënten die direct toegang hebben tot dergelijke rekeningen heeft vastgesteld en dat de cliënten doorlopend onderworpen zijn aan cliëntenonderzoek maatregelen, alsmede dat de respondentbank in staat is op verzoek de relevante identiteitsgegevens te verstrekken aan de correspondentbank.

Artikel 5c

  1. Het is een bank verboden een correspondentbankrelatie aan te gaan of te onderhouden met een shell bank.
  2. Banken vergewissen zich ervan dat de buiten Curaçao gevestigde dienstverleners met wie zij een correspondentbankrelatie aangaan of onderhouden, hun rekeningen niet laten gebruiken door shell banken. Indien zich een situatie voordoet als bedoeld in de eerste volzin, beëindigt de desbetreffende bank de correspondentbankrelatie.

Artikel 5d

De dienstverlener die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diensten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, besteedt bijzondere aandacht aan het risico van witwassen, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie dat gepaard kan gaan met de ontwikkeling van nieuwe of bestaande technologieën die anonimiteit zouden kunnen bevorderen en treft zo nodig maatregelen teneinde de toepassing van die technologieën bij witwaspraktijken, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie te beletten.

Artikel 5e

  1. De dienstverlener die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diensten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, beschikt over beleid en procedures teneinde de specifieke risico’s aan te pakken die samenhangen met zakenrelaties of transacties zonder persoonlijk contact.
  2. Onverminderd het eerste lid, neemt de dienstverlener, die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, verleent, de volgende maatregelen om de risico’s te compenseren die samenhangen met zakenrelaties of transacties zonder persoonlijk contact:
    a. identificatie en verificatie van de identiteit aan de hand van aanvullende documenten, gegevens of informatie;
    b. beoordeling op echtheid van de overgelegde documenten of;
    c. het waarborgen dat een eerste betaling door de cliënt vanaf een bankrekening geschiedt in een land dat geen strategische tekortkomingen heeft in de bestrijding van witwassen , het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie en de dienstverlener zich ervan heeft vergewist dat die instelling op basis van regelgeving in eigen land verplicht is om maatregelen ter identificatie en verificatie van cliënten van gelijke strekking als de maatregelen, bedoeld in deze landsverordening, te nemen.

Artikel 5f

De dienstverlener die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diensten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, ontwikkelt programma’s tegen witwassen, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie. Deze programma’s dienen onder meer het volgende te omvatten:
a. de ontwikkeling van intern beleid, interne procedures en controlemaatregelen, met inbegrip van passende nalevingmaatregelen voor het bestuur, en adequate screening procedures teneinde strenge normen te waarborgen bij het aanstellen van medewerkers;
b. een permanent trainingsprogramma voor medewerkers;
c. een audit functie om het systeem te toetsen.

Artikel 5g

De dienstverlener die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diensten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliance functie uitoefent. Het organisatieonderdeel heeft als taak het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de dienstverlener zelf heeft opgesteld.

Artikel 5h

  1. De dienstverlener die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de diensten, genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, draagt er zorg voor dat haar buitenlandse dochterinstellingen en filialen, zouden deze bestaan, voldoen aan de verplichtingen opgenomen in deze landsverordening en de voorschriften die ter uitvoering strekken van deze landsverordening.
  2. Indien het recht van het betrokken buitenland toepassing van het eerste lid niet toelaat, stelt de dienstverlener de Toezichthouder daarvan in kennis en neemt hij maatregelen om het risico van witwassen, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie te voorkomen.

Artikel 5i

  1. Een dienstverlener verricht verscherpt cliëntenonderzoek en neemt op risico gebaseerde en adequate maatregelen op zakelijke relaties en transacties met natuurlijke en rechtspersonen, inclusief financiële instellingen, en met juridische constructies uit landen waar de Financial Action Task Force een oproep toe heeft gedaan.
  2. De Toezichthouder kan onafhankelijk van een oproep zoals bedoeld in het eerste lid voorschriften en richtlijnen uitvaardigen.
  3. De Toezichthouder verwittigt de dienstverleners over landen met strategische tekortkomingen in de bestrijding van witwassen en, het financieren van terrorisme en het financieren van proliferatie.

Artikel 6

De dienstverlener is verplicht de volgende gegevens vast te leggen op een zodanige wijze dat deze toegankelijk zijn:
a. de naam, het adres en de woonplaats dan wel plaats van vestiging van de cliënt en de uiteindelijk gerechtigde indien die er is en van degene te wiens name het depot of de rekening wordt gesteld, van degene die toegang tot het safe-loket zal hebben of degene te wiens name een uitbetaling of transactie wordt verricht, alsmede van hun vertegenwoordigers;
b. de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document met behulp waarvan de identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden, behoudens indien artikel 4 van toepassing is;
c. de aard van de dienst; en
d.   1.    in het geval van het in bewaring nemen van de in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1, genoemde waarden: het desbetreffende depotnummer en de marktwaarde die deze waarden vertegenwoordigen op het tijdstip van de inbewaringneming, of bij ontstentenis van een marktwaarde het bedrag dat deze waarden vertegenwoordigen, berekend volgens andere in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke waarderingsgrondslagen, of indien het bedrag dat deze waarden vertegenwoordigen in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, een nauwkeurige omschrijving van die waarden;
2.   in het geval van het openstellen van een rekening: een duidelijke omschrijving van de soort rekening en het aan die rekening toegekende nummer;
3.  in het geval van verhuur van een safe-loket: het nummer of een andere onderscheidende aanduiding van het desbetreffende safe-loket;
4. in het geval van het verrichten van uitbetalingen ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren: het bedrag dat met de transactie is gemoeid en het desbetreffende rekeningnummer;
5.  in het geval van het sluiten van een verzekeringsovereenkomst: het nummer van de rekening ten laste waarvan de premiebetaling wordt gedaan;
6. in het geval van het doen van een uitkering uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst: het nummer van de rekening ten gunste waarvan de uitkering wordt gedaan;
7. in het geval van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 7 en 29˚: het bedrag dat met de transactie is gemoeid en het desbetreffende rekeningnummer, openbare sleutels of gelijkwaardige identificatie;
8. in het geval van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 9° en 10°: het creditcard of debitcard nummer met vervaldatum, dan wel het chequenummer tezamen met het corresponderende bankrekeningnummer;
9. in het geval van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 12˚ en 15˚, subonderdeel a: de aard, de unieke kenmerken van het betrokken registergoed, het met de transactie gemoeide bedrag, de bron van de betrokken gelden, en de herkomst van  het registergoed in het geval van vlieg- en vaartuigen, en, indien er sprake is van een wederpartij bij de transactie: de identiteit van de wederpartij van de cliënt;
10. in het geval van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 11°, 13° en 15° subonderdeel b: de aard, herkomst, bestemming, omvang en andere unieke kenmerken van de betrokken waarden of zaken;
11. in het geval van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 14°, 15° subonderdeel c en d: de identiteit van de betrokken vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen;
12. in het geval van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 16: de op die dienst betrekking hebbende gegevens die bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen zijn aangewezen.

Artikel 7

  1. De dienstverlener bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 6, alsmede alle overige relevante gegevens over zowel binnenlandse als internationale transacties, voor ten minste vijf jaar na het uitvoeren van de betreffende transacties, op zodanige wijze dat die gegevens opvraagbaar zijn en de betreffende transacties reconstrueerbaar zijn gedurende vijf jaar, teneinde onverwijld gehoor te kunnen geven aan verzoeken om inlichtingen van de bevoegde Toezichthouder, de FIU en de instanties die op grond van deze Landsverordening of de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties bevoegd zijn tot inzage of tot het verkrijgen van deze informatie.
  2. In afwijking van het eerste lid kan het hoofd van de FIU of een door hem aan te wijzen medewerker van de FIU, indien er sprake is van een transactie die door hem verdacht is verklaard, een aanwijzing geven om de bewaartermijn op tien jaar te stellen. Handelen in strijd met deze aanwijzing is verboden.
  3. De dienstverlener is verplicht data en informatie die zijn verkregen middels het cliëntenonderzoek, waaronder begrepen het risicoprofiel van de cliënt, contactinformatie en de kopieën of registers van officiële legitimatiebewijzen en paspoorten, identiteitskaarten, rijbewijzen of vergelijkbare documenten, rekeningoverzichten en zakelijke correspondentie, na het beëindigen van de zakelijke relatie of incidentele transactie voor ten minste vijf jaar op toegankelijke wijze te bewaren. De data en informatie verkregen uit het cliëntenonderzoek en transactiebestanden worden onverwijld beschikbaar gesteld aan de bevoegde Toezichthouder, de FIU en de instanties die op grond van deze landsverordening of de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties bevoegd zijn tot inzage of tot het verkrijgen van deze informatie.

Artikel 8

  1. Gegevens of inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn verstrekt of ontvangen en gegevens of inlichtingen die van een toezichthoudende instantie als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, zijn ontvangen, zijn geheim. Een ieder, is verplicht tot geheimhouding van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin.
  2. Het is aan een ieder die uit hoofde van deze landsverordening, of krachtens deze landsverordening genomen besluiten, enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze landsverordening zijn verstrekt of ontvangen of van een buitenlandse toezichthoudende instantie zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven, dan voor de uitoefening van zijn taak dan wel door deze landsverordening wordt voorgeschreven.
  3. De Toezichthouder is, in afwijking van het eerste en tweede lid, en waar nodig van andere wettelijke geheimhoudingsbepalingen, bevoegd:
    a. de FIU in te lichten, indien bij de taakuitoefening feiten aan het licht komen die mogelijk zouden kunnen duiden op witwassen of het plegen van een of meer hieraan ten grondslag liggende misdrijven dan wel op het financieren van proliferatie of het plegen van een of meer hieraan ten grondslag liggende misdrijven dan wel op financiering van terrorisme of het plegen van een of meer hieraan ten grondslag liggende misdrijven ; en
    b. gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, te verstrekken aan overheidsinstanties van Curaçao of buitenlandse overheidsinstanties, die allen belast zijn met het toezicht op dienstverleners, tenzij:
    1o het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald;
    2o het beoogde gebruik van gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op dienstverleners;
    3o de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de wettelijke regelingen of de openbare orde van Curaçao;
    4o de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;
    5o de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen; of
    6o onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
  4. Voor zover de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, verstrekt de Toezichthouder deze niet aan een andere Toezichthouder of een andere buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij de buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
  5. Indien een buitenlandse of hier te lande gevestigde toezichthoudende instantie aan de Toezichthouder die de gegevens of inlichtingen op grond van het derde lid, onderdeel b, of vierde lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de Toezichthouder dat verzoek slechts in:
    a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het derde lid, onderdeel b of vierde lid of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze landsverordening voorzien vanuit Curaçao met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
    b. na overleg met de minister belast met justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
  6. De Toezichthouder kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verstrekken aan het openbaar ministerie en andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging die zij heeft verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Toezichthouder van belang zijn of zouden kunnen zijn voor onderzoeken, dan wel de nog in te stellen onderzoeken van het openbaar ministerie of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging.
  7. De Toezichthouder verstrekt, in afwijking van het eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, aan de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
  8. De Algemene Rekenkamer is verplicht tot geheimhouding van de op grond van het vijfde lid ontvangen gegevens of inlichtingen en kan die slechts openbaar maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen.

Artikel 8a

  1. De Toezichthouder kan van een ieder die ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht valt of behoort te vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de vervulling van de taak van een in artikel 8, derde lid, onderdeel b, bedoelde buitenlandse instantie, die gegevens of inlichtingen vorderen. Artikel 11, vierde, vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
  2. Op verzoek van een instantie als bedoeld in het eerste lid, kan de Toezichthouder gegevens of inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij een dienstverlener, dan wel bij een ieder die ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht valt of behoort te vallen en waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt, die van belang kunnen zijn voor de verzoekende instantie.
  3. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, zijn gevraagd, verstrekt deze binnen een door de Toezichthouder te stellen redelijke termijn.
  4. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt ingesteld, verleent alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek. Degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze landsverordening onder toezicht staat, is slechts gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. Artikel 11, vierde, vijfde en zevende lid, is op dit artikellid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8b

  1. De Toezichthouder kan, met overeenkomstige toepassing van de beperkingen, genoemd in artikel 8, derde lid, onderdeel b, toestaan dat een functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie als bedoeld in voornoemde bepaling, deelneemt aan de uitvoering van een onderzoek, als bedoeld in artikel 8a, tweede lid.
  2. De functionaris van een buitenlandse instantie waaraan toestemming als bedoeld in het eerste lid is verleend, volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de leiding van het onderzoek is belast en staat onder leiding van deze persoon.
  3. Het gebod, bedoeld in het vierde lid van artikel 8a, geldt eveneens jegens de in het eerste lid bedoelde functionaris.

Artikel 9

  1. In deze landsverordening wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening en de voorschriften die ter uitvoering strekken van deze landsverordening.
  2. Onder overtreder wordt verstaan: natuurlijk persoon of rechtspersoon die de overtreding pleegt.

Artikel 9a

  1. De Toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, zevende lid, laatste volzin, en achtste lid, laatste volzin, 2a, 2b, 2d, 2e, tweede lid, 3, eerste tot en met zesde lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 5a tot en met 5i, 6, 7, 8, eerste en tweede lid, 8a, derde en vierde lid, 9v, tweede lid, en 11, derde lid, laatste volzin en zevende lid. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. De last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
  3. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
  4. Bij de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
  5. Een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en is een beschikking. Artikel 9r, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
  6. De Toezichthouder stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd dan wel per overtreding van de last. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
  7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, bepaald.

Artikel 9b

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 9c

  1. Indien een Toezichthouder een last onder dwangsom heeft opgelegd kan hij op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
  2. Indien een Toezichthouder een last onder dwangsom heeft opgelegd kan hij op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 9d

In afwijking van artikel 9ii, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Artikel 9e

Geen last onder dwangsom kan worden opgelegd voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond.

Artikel 9f

  1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de Toezichthouder bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.
  2. De Toezichthouder geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt. De Toezichthouder beslist binnen zes weken op dat verzoek.
  3. Artikel 9r, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een beschikking als bedoeld in dit artikel.

Artikel 9g

  1. Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.
  2. De Toezichthouder kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

Artikel 9h

  1. Een bezwaar, beroep, hoger beroep of een verzoek om schorsing of voorlopige voorziening gericht tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
  2. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan de beslissing op het hoger beroep tegen de beschikking tot invordering van de dwangsom verwijzen naar de Toezichthouder, overeenkomstig artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak , indien behandeling door de Toezichthouder gewenst is.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schorsing dan wel voorlopige voorziening.

Artikel 9i

(vervallen)

Artikel 9j

  1. De Toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste tot en met het vierde lid, zevende lid, laatste volzin, en achtste lid, laatste volzin, 2a, 2b, 2d, 2e, tweede lid, 3, eerste tot en met zesde lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 5a tot en met 5i, 6, 7, 8, eerste en tweede lid, 8a, derde en vierde lid, 9v, tweede lid, en 11, derde lid, laatste volzin, en zevende lid. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt bij elke daarin omschreven overtreding het maximale bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete bepaald, met dien verstande dat een op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedraagt. De overtredingen worden gerangschikt op basis van type dienstverlener en het overtreden voorschrift met de daarbij behorende maximumbedragen vastgesteld afhankelijk van de zwaarte van de overtreding.
  3. Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete, stelt de Toezichthouder de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
  4. De door de Toezichthouder op basis van het tweede lid vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding en deze onherroepelijk is geworden.
  5. In afwijking van het tweede lid, kan de Toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen indien diens voordeel groter is dan het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
  6. De Toezichthouder legt niettemin in afwijking van de voorgaande leden een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Artikel 9k

Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien:
a. de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten;
b. de overtreder is overleden;
c. aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 9q, derde lid, onderdeel a, is bekendgemaakt; of
d. een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestaat.

Artikel 9l

  1. Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.
  3. Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt het bestuursorgaan slechts een bestuurlijke boete op indien:
    a. de officier van justitie aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of
    b. het bestuursorgaan niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen.

Artikel 9m

  1. Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.
  2. Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt.
  3. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
  4. Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn, bedoeld in het derde lid, opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

Artikel 9n

  1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
  2. Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is de partij aan wie de boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9o

  1. De Toezichthouder kan van de overtreding een rapport opmaken.
  2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of de periode waarop de overtreding is geconstateerd.
  3. Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.
  4. Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.

Artikel 9p

  1. De Toezichthouder stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. De Toezichthouder kan beslissen om bepaalde stukken van kennisneming uit te zonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend.
  2. Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Toezichthouder er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 9q

1. De Toezichthouder kan de overtreder in de gelegenheid stellen over het voornemen tot opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Op het moment dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen:
a. wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt;
b. zorgt de Toezichthouder voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.
3. Indien de Toezichthouder nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat:
a. voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of
b. de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd,
wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 9r

  1. Een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt in ieder geval:
    a. de naam van de overtreder;
    b. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;
    c. het bedrag van de boete, alsmede een toelichting op de hoogte daarvan; en
    d. de termijn, bedoeld in artikel 9x, waarbinnen de boete moet worden betaald.
  2. Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de officiële talen in de zin van de Landsverordening officiële talen  onvoldoende begrijpt, draagt de Toezichthouder er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

Artikel 9s

  1. De Toezichthouder kan, teneinde de naleving van deze landsverordening te bevorderen, ter openbare kennis brengen, het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd.
  2. De bevoegdheid om een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht.
  3. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in het eerste lid vervalt, indien de Toezichthouder het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.
  4. De bevoegdheid om een feit ter openbare kennis te brengen vervalt vijf jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.
  5. De termijn, bedoeld in het vierde lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 9t

  1. De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding of het daaraan voorafgegane onderzoek.
  2. De werkzaamheden in verband met het ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit of het daaraan voorafgegane onderzoek.

Artikel 9u

Door de Minister kunnen regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 9a, eerste lid en 9j, eerste lid.

Artikel 9v

  1. De Toezichthouder kan de dienstverlener die niet of niet tijdig voldoet aan de verplichtingen gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste tot en met derde lid, zevende lid, laatste volzin, en achtste lid, laatste volzin, 2a, 2b, 2d, 2e, tweede lid, 3, eerste tot en met zesde lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 5a tot en met 5i, 6, 7, 8, eerste en tweede lid, 8a, derde en vierde lid, 9v, tweede lid, en 11, derde lid, laatste volzin en zevende lid, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die de reputatie van Curaçao als respectabel financieel centrum in gevaar brengt of zou kunnen brengen, bij aangetekende brief een aanwijzing geven, om binnen een door de Toezichthouder te stellen termijn de nodige maatregelen te nemen dan wel om ten aanzien van met name gegeven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
  2. Het is de dienstverlener verboden om in strijd met de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, te handelen.

Artikel 9w

De artikelen 9x tot en met 9kk zijn van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.

Artikel 9x

Behoudens in het geval dat artikel 9b toepassing vindt, geschiedt de betaling van een geldschuld binnen zes weken nadat de beschikking tot invordering van een dwangsom, bedoeld in artikel 9f, eerste lid, onderscheidenlijk de beschikking tot het opleggen van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 9y

  1. Betaling geschiedt aan een door de Toezichthouder te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de Toezichthouder bestemde bank¬rekening.
  2. Betaling geschiedt in wettig betaalmiddel, tenzij door de Toezichthouder anders is bepaald.
  3. De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel in geval van bijschrijving de rekening van de Toezichthouder wordt gecrediteerd.
  4. De kosten van betaling komen ten laste van de overtreder.

Artikel 9z

  1. De overtreder is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken heeft betaald.
  2. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Toezichthouder stelt het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

Artikel 9aa

  1. De Toezichthouder maant de overtreder die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
  2. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de overtreder uit te voeren invorderingsmaatregelen.
  3. De Toezichthouder kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding wordt in de aanmaning vermeld.

Artikel 9bb

  1. De Toezichthouder kan een dwangbevel uitvaardigen.
  2. Een dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd.
  3. Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de aanmaningstermijn, bedoeld in artikel 9aa, eerste lid, niet volledig is betaald.

Artikel 9cc

  1. Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
  2. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de overtreder aan de Toezichthouder.
  3. De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd.
  4. De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd.

Artikel 9dd

  1. Het dwangbevel vermeldt in ieder geval:
    a. aan het hoofd het woord: dwangbevel;
    b. het bedrag van de invorderbare hoofdsom;
    c. de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
    d. de kosten van het dwangbevel, en
    e. dat het op kosten van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd ten uitvoer kan worden gelegd.
  2. Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing:
    a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding, en
    b. de ingangsdatum van de wettelijke rente.

Artikel 9ee

  1. De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Het exploot vermeldt in ieder geval de gerechtelijke instantie waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen.

Artikel 9ff

De Toezichthouder beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.

Artikel 9gg

  1. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Toezichthouder.
  2. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Toezichthouder kan de echter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 9hh

  1. De rechtsvordering tot betaling van een geldschuld als bedoeld in artikel 9w, behoudens indien deze voortvloeit uit een last onder dwangsom, verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.
  2. Na voltooiing van de verjaring kan de Toezichthouder zijn bevoegdheden tot aanmaning en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen.

Artikel 9ii

  1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
  2. Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
  3. De Toezichthouder kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 9aa, eerste lid, een dwangbevel of door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 9jj

  1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.
  2. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
  3. Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9kk

  1. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de Toezichthouder wordt verlengd met de tijd gedurende welke de overtreder na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien:
    a. de overtreder in surseance van betaling verkeert;
    b. de overtreder in staat van faillissement verkeert;
    c. de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt.

Artikel 9ll

De Toezichthouder kan zijn bevoegdheid, genoemd in de artikelen 9aa en 9bb mandateren aan de Ontvanger.

Artikel 10

  1. Overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste en tweede lid, zevende lid, laatste volzin, en achtste lid, laatste volzin, 2a, 2b, 2d, 2e, tweede lid, 3, eerste tot en met zesde lid, 5a tot en met 5i, 6, 7, 8, eerste en tweede lid, 8a, derde en vierde lid, 9v, tweede lid, en 11, derde lid, laatste volzin en zevende lid, van deze landsverordening is, voor zover zulks opzettelijk geschiedt, een misdrijf en wordt gestraft met hetzij gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, hetzij met geldboete van de zesde categorie, hetzij met beide straffen.
  2. Overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, zevende lid, laatste volzin en achtste lid, laatste volzin, 2a, 2b, 2d, 2e, tweede lid, 3, eerste tot en met zesde lid, 5a tot en met 5i, 6, 7, 8, eerste en tweede lid, 8a, derde en vierde lid, 9v, tweede lid, en 11, derde lid, laatste volzin en zevende lid, van deze landsverordening is, voor zover zulks niet opzettelijk geschiedt, een overtreding en wordt gestraft met hetzij hechtenis van ten hoogste een jaar, hetzij met een geldboete van de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

Artikel 10a

  1. Indien aan een dienstverlener voor de diensten die hij verleent door de Toezichthouder een vergunning, registratie of ontheffing is afgegeven, kan de Toezichthouder de vergunning, registratie of ontheffing intrekken respectievelijk doorhalen in het geval dat wordt geconstateerd dat de dienstverlener de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen niet of niet voldoende naleeft.
  2. Indien de FIU of een Toezichthouder constateert dat een dienstverlener de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen niet of niet voldoende naleeft, kan de FIU een klacht indienen bij de beroepsorganisatie waaraan de dienstverlener is verbonden of de tuchtrechter.

Artikel 11

  1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast:
    a.   de door de President van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten daartoe aangewezen functionarissen van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, voor zover het betreft verleners van diensten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, sub 1° tot en met 10°, 14°, 16°, 17° tot en met 29˚;
    b.   het hoofd van de FIU alsmede de door deze daartoe aangewezen functionarissen van de FIU, voor zover het betreft verleners van diensten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, sub 12°, 13° en 15°;
    c.  het bestuur van de Stichting Gaming Control Board alsmede de door deze daartoe aangewezen functionarissen van de Stichting Gaming Control Board voor zover het betreft verleners van diensten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 11°.
    Het landsbesluit en de overige aanwijzingen worden bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Indien met toepassing van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 30˚, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, andere diensten worden aangewezen, wordt bij dat   landsbesluit tevens voorzien in het toezicht.
  3. De Toezichthouder is bevoegd met het oog op de bevordering van de naleving van deze landsverordening voorschriften en, richtlijnen te geven aan de onder zijn toezicht onderworpen dienstverleners, bedoeld in het eerste lid.
    De dienstverlener is verplicht volledig uitvoering te geven aan door de Toezichthouder uitgevaardigde voorschriften.
  4. De in het eerste lid bedoelde functionarissen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
    a. alle inlichtingen te vragen;
    b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers, zoals electronische bestanden en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen , inclusief gegevens in verband met door een dienstverlener gedane melding;
    c.  goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;
    d. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen;
    e. vaartuigen, stilstaande voertuigen en de lading daarvan te onderzoeken;
    f. kosteloos de registraties van de Inspectie der Belastingen, het Ministerie van Economische Ontwikkeling en de Douane dan wel het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en de openbare registers van de  Stichting Kadaster en Openbare Registers Curaçao  te raadplegen en daarvan een afschrift te ontvangen;
    g. indien het diensten van dienstverleners als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 12o en 15o betreft: inzien van de administratie en afschriften van door, namens of ten behoeve van de dienstverlener gebruikte derdengeldrekeningen, daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen.
  5. Zo nodig wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.
  6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen.
  7. Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste en het tweede lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen, die op grond van het vierde lid wordt gevorderd.

Artikel 12

  1. Met de opsporing van de bij artikel 10 straf¬baar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst.
  2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatrege¬len, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen personen dienen te voldoen.

Artikel 12a

Voorschriften die reeds zijn uitgegeven ter uitvoering van artikel 2, vijfde lid, zoals dat artikel luidde voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Landsverordening van de 26ste oktober 2009 tot wijziging van deze landsverordening , gelden vanaf het tijdstip waarop de eerstgenoemde landsverordening in werking is getreden als voorschriften ter uitvoering van artikel 2, achtste lid.

Artikel 13

(vervallen)

Artikel 14

Deze Landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening identificatie bij dienstverlening.

***

 

Naar boven