| Publicatienummer: | P.B. 2017, no. 86 (Geconsolideerde Tekst) |
| Categorie: | Geconsolideerde Tekst |
| Onderwerp(en): | Kinderopvang |
| Ministerie: | Onderwijs, Wetenschap, Cultuur & Sport |
| Datum ondertekening: | 27-09-2017 |
| Datum inwerktreding: | Nog niet bekend |
| Geregistreerd in: |
Klapper Publicatieblad ( HOOFDSTUK XIII Volksontwikkeling en -opvoeding. erediensten)
|
LANDSBESLUIT van de 27ste september 2017, no. 17/2651, houdende vaststelling van de geconsolideerde tekst van de Eilandsverordening kinderopvang Curaçao
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
Definitiebepalingen
Voor de toepassing van deze landsverordening wordt verstaan onder:
a. kinderopvang : het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding, onderdak, begeleiding en ontwikkelingskansen aan kinderen in de leeftijd van 4 weken tot het moment waarop zij kleuteronderwijs mogen volgen;
b. kindercentrum : kinderopvang in een ruimtelijke voorziening buiten een gezinssituatie, dan wel kinderopvang binnen een gezinssituatie indien de opvang betrekking heeft op meer dan vier kinderen tegelijk;
c. kinderdagverblijf/crèche : een kindercentrum dat op alle dagen van de week geopend kan zijn;
d. speelschool : een kindercentrum voor kinderen vanaf 1,5 jaar tot het moment waarop zij kleuteronderwijs mogen volgen;
e. gastouderschap : kinderopvang in een gezinssituatie die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen in de leeftijd van 4 weken tot het moment waarop zij kleuteronderwijs mogen volgen;
f. bestuur : een natuurlijke of rechtspersoon die een kindercentrum in stand houdt;
g. directie : de directeur of de gezamenlijke directeuren belast met de dagelijkse beleidsuitvoerende taken van een kindercentrum;
h. houder : de houder van een vergunning of ontheffing bedoeld in artikelen 2 en 3;
i. leid(st)er : een in een kindercentrum werkzame persoon die belast is met het bieden van verzorging, opvoeding en begeleiding aan kinderen en over de voor die werkzaamheden benodigde opleiding beschikt;
j. hulp-leid(st)er : een in een kindercentrum onder toezicht van een leidster werkzame persoon;
k. invaller/invalster : een persoon die over de benodigde opleiding beschikt om in een kindercentrum te werken en die bij afwezigheid van een personeelslid tijdelijk tewerkgesteld wordt in een kindercentrum;
l. stagiaire : een student die in de praktijkperiode van de studie in een kindercentrum werkzaamheden verricht onder toezicht van een personeelslid die over de benodigde opleiding beschikt om in een kindercentrum te werken;
m. vrijwilliger : een persoon met de benodigde opleiding of bevoegdheid die vrijwillig en onbetaald werkzaamheden verricht in een kindercentrum onder toezicht van de leiding;
n. Inspecteur : de sectordirecteur van de Uitvoeringsorganisatie Cultuur en Sport van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport.
Hoofdstuk II
Vergunningsplicht
1. Het is verboden zonder schriftelijke vergunning van de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport een kindercentrum open te stellen of te houden.
2. Bij een verzoek om een vergunning als bedoeld in het eerste lid dienen de volgende gegevens en bewijsstukken overgelegd te worden:
a. de soort voorziening;
b. de openings- en sluitingstijden van de voorziening;
c. een op schaal vervaardigde tekening en omschrijving van de ligging en indeling van het perceel, dan wel de perceelsgedeelten, waarin de kinderopvang is of zal worden gerealiseerd; op de tekening moet voor elke ruimte worden aangegeven waarvoor deze is bestemd;
d. het totaal aantal kinderen dat per dagdeel maximaal aanwezig kan zijn;
e. de leeftijden van de kinderen per groep;
f. het minimum aantal leiders per groep per dagdeel alsmede een afschrift van hun diploma’s;
g. een afschrift van de aansprakelijkheids- en ongevallenpolis; h. indien de aanvrager een natuurlijk persoon is, een opgave van naam, adres en geboortedatum;
i. indiende aanvrager een rechtspersoon is, een opgave van de namen en adressen van de bestuursleden alsmede een afschrift van de statuten;
j. de naam en het adres van de contactpersoon.
Weigering/ontheffing
1. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport weigert de vergunning indien niet wordt voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 10, 13, 14 en 15 gestelde bepalingen.
2. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport is bevoegd ontheffing te verlenen van de bij of krachtens de artikelen van deze landsverordening gestelde bepalingen.
Voorschriften en beperkingen
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts aan de vergunning of ontheffing worden verbonden in het belang van een doelmatige kinderopvang.
2. De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.
Intrekken of wijzigen van de vergunning of ontheffing
1. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kan de vergunning of ontheffing intrekken of wijzigen:
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging daarvan wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verstrekt;
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. indien binnen de termijn van een jaar geen gebruik van de vergunning of ontheffing wordt gemaakt;
e. indien de houder dit verzoekt;
f. indien de houder zich niet aan richtlijnen of aanwijzingen van de Inspecteur houdt.
2. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kan in het belang van de kinderen tijdelijke sluiting van een kindercentrum gelasten, indien naar zijn oordeel dringende omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Behandeling verzoeken
1. Behoudens het bepaalde in het derde lid, beslist de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport op een verzoek om vergunning of ontheffing binnen zes maanden na de dag waarop het verzoek is ingediend.
2. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
3. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport verklaart het verzoek om vergunning of ontheffing niet ontvankelijk in geval van onvolledigheid van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde gegevens en bewijsstukken, dan wel in geval van strijd met enige wettelijke bepaling.
Duur van de vergunning of ontheffing
1. De vergunning wordt verleend voor ten hoogste vijf jaar; de ontheffing voor ten hoogste drie jaar.
2. De vergunning of ontheffing is niet overdraagbaar.
Verplichtingen van de houder van een vergunning of ontheffing
1. De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht:
a. de vergunning op een zichtbare plaats in het kindercentrum op te hangen;
b. aan de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport gegevens te verstrekken die door of namens deze in verband met onderdak, verzorging, opvoeding en begeleiding van de kinderen van belang worden geacht;
c. bij wijziging van de gegevens die zijn verstrekt bij het verzoek om de vergunning daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen aan de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport;
d. de Inspecteur te allen tijde tot het kindercentrum toe te laten.
2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regelen worden gesteld betreffende verplichtingen die door de houder van de vergunning of ontheffing in acht moeten worden genomen.
Beroep
(vervallen)
Hoofdstuk III- Kwaliteitseisen
Opleiding personeel
1. De directie van een crèche dient een diploma van ten minste HBO-niveau in sociaal-pedagogische richting of een daaraan gelijk te stellen kennis- en ervaringsniveau te bezitten.
2. De directie van een speelschool dient een daartoe geëigend diploma van ten minste MBO-niveau in sociaal-pedagogische richting of een daaraan gelijk te stellen kennis- en ervaringsniveau te bezitten.
3. Elke leid(st)er van een kindercentrum dient ten minste een diploma LBO-niveau in sociaal-pedagogische richting of een daaraan gelijk te stellen kennis- en ervaringsniveau te bezitten.
4. Het personeel dat in vaste dienst is, is verplicht gedurende minimaal 40 uur per jaar bijscholing te volgen.
5. Er dienen te allen tijde ten minste twee personeelsleden aanwezig te zijn op het kindercentrum die een geldig EHBO- diploma bezitten.
6. Er dienen te allen tijde ten minste twee personeelsleden aanwezig te zijn op het kindercentrum in het bezit van een geldig rijbewijs en van een vervoermiddel dat zich in goede staat bevindt.
7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld waaraan de directie en de in een kindercentrum werkzame personen moeten voldoen. Deze regels kunnen betrekking hebben op de deskundigheid en organisatie van het personeel.
Openings- en sluitingstijden
1. Een kindercentrum is niet eerder open dan 06.00 uur en niet later gesloten dan 19.00 uur.
2. Een speelschool kan ten hoogste 6 uren per dag open zijn.
3. Een kind mag niet langer dan 12 uur per dag in een crèche verblijven.
4. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kan ontheffing verlenen van het bepaalde in de voorgaande leden.
Plaatsing
1. Kinderen met een handicap kunnen tot een kindercentrum worden toegelaten in overleg met en onder begeleiding van een door de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport aangewezen instantie.
2. Indien na toelating tot een kindercentrum blijkt dat een kind een handicap heeft dient het bestuur of de directie de in het eerste lid bedoelde instantie om hulp en begeleiding te verzoeken.
3. De bezetting van een kinderdagverblijf, crèche en speelschool mag ten hoogste 150 geregistreerde kinderen bedragen.
4. Kinderen kunnen tot een kindercentrum worden toegelaten totdat zij naar de kleuterschool kunnen gaan, tenzij de in het eerste lid bedoelde instantie anders bepaalt.
Curriculum
1. Het curriculum van een kindercentrum is gebaseerd op pedagogische uitgangspunten en houdt activiteiten in die de ontwikkeling van het kind op elk gebied stimuleert.
2. Het curriculum dient een adequaat programma te omvatten inhoudende voldoende rust- en actieve uren. Tevens dient het curriculum een gebalanceerd weekmenu te omvatten.
3. Het programma moet op een duidelijk zichtbare plaats in het kindercentrum zijn opgehangen.
Meubilair en materiaal
1. Een kindercentrum dient over voldoende materiaal en meubilair te beschikken, dat aangepast is aan de ontwikkeling van het kind.
2. De lokaliteit en de inventaris dienen steeds in een opgeruimde, schone, zindelijke, veilige en deugdelijke staat te verkeren.
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld waaraan een kindercentrum moet voldoen. Deze regels hebben betrekking op de volgende aandachtsgebieden:
a. de accommodatie;
b. het medisch-hygiënisch aspect;
c. het medisch-sociaal aspect;
d. opvoedings- en stimuleringsprogramma’s;
e. deskundigheid en organisatie van het personeel;
f. brandveiligheidsvoorzieningen;
g. een deugdelijk vervoermiddel.
Informatie aan ouders en verzorgers
1. De directie is verplicht de ouders/verzorgers alvorens de plaatsingsovereenkomst aan te gaan schriftelijk in te lichten over:
a. het te voeren beleid, waaronder het pedagogisch beleid;
b. de wijze waarop klachten worden behandeld;
c. de wijze waarop de inspraak is geregeld;
d. de wijze waarop het contact met de ouders/verzorgers wordt onderhouden;
e. de procedures in dringende en noodsituaties.
2. De directie dient het huishoudelijk reglement van het kindercentrum aan de Inspecteur ter goedkeuring te overleggen.
3. De ouders of verzorgers hebben inspraak met betrekking tot ontwikkelingen het kindercentrum betreffende.
Hoofdstuk IV
Inrichtingseisen
1. Het kindercentrum dient goed toegankelijk te zijn voor EHBO-personeel, politie, brandweer en medisch personeel.
2. Het kindercentrum dient op een veilige en gemakkelijk bereikbare plaats te staan.
3. Het kindercentrum dient in een milieuvriendelijke omgeving te staan.
4. Het is niet toegestaan in het kindercentrum enquêtes of onderzoeken te verrichten zonder toestemming van directie en ouders.
Erf/perceel/lokaliteit
1. Alle ruimtes van een kindercentrum dienen goed verlicht en geventileerd te zijn.
2. Het perceel dient voorzien te zijn van een goede en veilige omheining.
3. Controle- en beerputten dienen volkomen afgesloten te zijn.
4. Bij de bouw van een kindercentrum dient rekening gehouden te worden met een terrein van minimaal 10 m² per geregistreerd kind.
5. Het perceel dient aangesloten te zijn op de openbare waterleiding en voorzien te zijn van goede electriciteit- en afvoersysteem.
Binnen- en Buitenruimte/Tuin/Porch
1. De tuin van een kindercentrum dient vrij te zijn van giftige, scherpe en gevaarlijke stoffen, voorwerpen en planten.
2. De beschikbare vrije buitenruimte per geregistreerd kind dient minstens 3 m2 te bedragen. Het grondoppervlak van de buitenruimte dient van een materiaal te zijn dat geschikt is om als speelplaats voor de kinderen te dienen.
3. Er dient voldoende bergruimte aanwezig te zijn.
4. De activiteitenruimte dient door middel van ventilatieopeningen rechtstreeks in verbinding te staan met de buitenlucht.
5. De beschikbare vrije binnenruimte per kind dient minimaal 3 m2 te bedragen.
6. Het gebouw dient een deugdelijk plafond te hebben.
7. De vloer dient egaal en slipvrij, veilig en hygiënisch te zijn.
8. Er dient ruimte beschikbaar te zijn die als personeels-, administratie-, vergader- en ontvangstruimte kan dienen.
Keukeninrichting
1. De oppervlakte van de werkruimte van de keuken van een kindercentrum dient minimaal 9 m2 te bedragen, afhankelijk van het aantal kinderen. De keuken dient afgesloten te zijn voor kinderen.
2. Het plafond dient stofdicht te zijn. De vloer en de wanden dienen tot een hoogte van ten minste 1,60 m betegeld te zijn.
3. Er dient een behoorlijke voorziening aanwezig te zijn om het glas- en vaatwerk met stromend deugdelijk leidingwater te kunnen reinigen, bestaande uit twee compartimenten en voorzien van afvoerbuizen met stankbocht naar zinkput of riolering. Tevens dient er een aanrecht met blad van hard afwasbaar materiaal te zijn.
5. De voedselcontact-oppervlakte dient van hard afwasbaar materiaal te zijn.
6. Bij een kinderdagverblijf waar ook baby’s opgevangen worden dient een aparte afgesloten baby-keuken te zijn die dicht bij de babyzaal dient te staan. In de baby-keuken dient er elektriciteit, koelkast, wasbak en opbergruimte te zijn.
7. Er dient deugdelijke bergruimte te zijn voor het bewaren van etenswaren, vaatwerk en andere benodigdheden.
Sanitaire voorzieningen
1. Er dienen voldoende toiletpotten en badgelegenheid te zijn voor de kinderen. Een toiletpot per tien kinderen van 2 1/2 tot en met 4 jaar, op een hoogte van 0,35-0,50 m. Voor kinderen van 1 tot 1 1/2 jaar dienen er po’s aanwezig te zijn; een po voor elk kind en voldoende ruimte om ze te gebruiken. Voor de kinderen vanaf anderhalf jaar dient er een douche te zijn voor elke groep van vijftien kinderen.
2. De toiletvloeren dienen met antisliptegels betegeld te zijn, alsook de wanden tot een hoogte van ten minste 1,60 m vanaf de grond.
3. De toiletten dienen voorzien te zijn van afvoerbuizen met stankbocht naar een beerput of riolering.
4. Er dienen voldoende wasbakken te zijn, één voor elke groep van 15 kinderen, op een hoogte van 0,60 m.
5. Er moet voor het vrouwelijk en het mannelijk personeel elk een ruimte zijn om zich te kunnen verkleden, een toilet, een wasbak, een kast met slot en een douchegelegenheid.
Babygroep
1. Er dienen sanitaire voorzieningen en een aankleedtafel aanwezig te zijn.
2. Er dient voor elk kind een bergruimte te zijn om zijn persoonlijke spullen op te kunnen bergen.
3. Er dient voldoende bergruimte te zijn voor materiaal en speelgoed.
4. In de babyzaal dient minstens een box per groep van vijf kinderen te staan en voor elk kind
een bed die aan de volgende eisen moeten voldoen:
a. de spijlen dienen maximaal 7,5 cm van elkaar te staan;
b. het materiaal dient van egaal hout te zijn.
5. In de babyzaal dient er een ruimte te zijn, waar kinderen zich goed kunnen bewegen.
Peutergroep
1. Er dienen sanitaire voorzieningen en een aankleedtafel aanwezig te zijn.
2. Er dient voor elk kind bergruimte te zijn om zijn/haar persoonlijke spullen op te kunnen bergen.
3. Er dient bergruimte te zijn voor materiaal en speelgoed.
4. Voor ieder kind dient een matras of bed beschikbaar te zijn. De tussenruimte tussen de matrassen of de bedden dient minimaal 50 cm te zijn.
5. In de peuterzaal dient er ruimte te zijn, waar kinderen kunnen kruipen en spelen.
6. Het meubilair dient aangepast te zijn aan de leeftijd van de kinderen.
Hoofdstuk V
Voeding/Hygiëne/Gezondheid
Voeding van zuigelingen, peuters en kleuters
1. Bij de bereiding van voeding van zuigelingen, peuters en kleuters dient te worden uitgegaan van de richtlijnen zoals vermeld in de ‘Handleiding voor preventieve 0 tot vierjarigenzorg’.
2. Het kinderdagverblijf dient een gebalanceerd weekmenu op te stellen voor de kinderen vanaf 10 à 12 maanden volgens de richtlijnen van de Curaçaose diëtistenvereniging.
3. Etenswaren dienen op zodanige wijze bewaard te worden dat voorkomen wordt dat knaagdieren, vliegen en ander ongedierte aan deze kunnen komen.
4. Het voedsel dient hygiënisch te worden bereid en bewaard conform de Warenlandsverordening .
5. Eet- en drinkgerei dient in goede staat te zijn en goed schoon gehouden te worden.
6. De plaats waar het voedsel bereid en gegeten wordt dient gescheiden te zijn van het sanitair en de aankleedtafel.
Hygiëne
1. Voor ieder kind dient gebruik te worden gemaakt van zijn eigen persoonlijke benodigdheden zoals een eigen washandje, tandenborstel, baddoek en kam.
2. Vloeibare handzeep dient in elke groep aanwezig te zijn.
3. Elke ruimte, waaronder sanitair, vloer en meubilair dient dagelijks schoongemaakt te worden met water en een reinigingsmiddel.
4. Het speelgoed dient wekelijks schoongemaakt te worden.
5. Linnengoed dient dagelijks gewassen te worden.
6. Het is ten strengste verboden om in de verblijfsruimte van de kinderen te roken.
7. Tijdens de aanwezigheid van kinderen mag er niet worden geveegd of gestoft.
Gezondheid/Algemeen
1. Indien blijkt dat een kind of personeelslid in het kindercentrum lijdt aan een besmettelijke ziekte dient onmiddellijk contact te worden opgenomen met de Departamentu Salú Hubenil van de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidszaken. In geval het een kind betreft dient eerst met de ouders contact te worden opgenomen.
2. In geval van vermoeden van kindermishandeling dient het personeel dit te bespreken met de leiding van het kindercentrum. De leiding neemt contact op met de Departamentu Salú Hubenil van de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidszaken.
Gezondheid van het personeel
1. Het personeel dient zich te onderwerpen aan een aanstellingskeuring in verband met het onderzoek naar de medische geschiktheid en periodieke medische controle bij de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidszaken.
2. Het personeel dient zindelijk gekleed te zijn. In de babykamer en in de zalen waar de kinderen kruipen en op de vloer spelen mag niet op schoenen gelopen worden, die ook voor buiten worden gebruikt.
3. Voor de aanvang van de werkzaamheden dient het personeel hun handen met vloeibare zeep te wassen.
4. Personen bij wie door een arts is geconstateerd dat zij aan een besmettelijke ziekte lijden, mogen gedurende de periode dat zij ziek zijn of besmettingsgevaar opleveren niet in een kindercentrum werken.
Gezondheid van kinderen
1. Inentingsbewijzen dienen overgelegd te worden indien het beschikbaar is. Indien kinderen niet zijn ingeënt dient contact opgenomen te worden met de Departamentu Salú Hubenil van de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidszaken voordat zij worden toegelaten.
2. Allergische componenten dienen beperkt te worden.
3. De namen en telefoonnummers van de huisartsen en specialisten van de kinderen die in het kindercentrum verblijven dienen bij de leiding bekend te zijn.
Aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering
De houder van een kindercentrum moet ten behoeve van in het centrum aanwezige personeelsleden, leiders en kinderen een passende aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten genoege van de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport afsluiten.
Leeftijdsopbouw en groepsgrootte
1. Het aantal kinderen in een groep bedraagt ten hoogste:
a. zes kinderen in de leeftijd van 4 weken tot 1 jaar. In een ruimte mogen niet meer dan twaalf kinderen tegelijk aanwezig zijn. Er dient een aparte kruip- en speelruimte te zijn.
b. acht kinderen in de leeftijd van 1 tot 2 jaar:
In een ruimte mogen niet meer dan achttien kinderen tegelijk aanwezig zijn.
c. twaalf kinderen in de leeftijd van 2 jaar tot 4 jaar:
In een ruimte mogen niet meer dan vierentwintig kinderen tegelijk aanwezig zijn.
2. Voor een gemengde groep bestaande uit de in het eerste lid, onder a en b genoemde leeftijdscategorieën geldt dat deze niet in de hogere leeftijdsgroep ondergebracht mogen worden.
3. Voor de in het vorige lid vermelde gemengde groep bedraagt het maximaal toegestane aantal kinderen 15.
4. In een kindercentrum dienen minimaal een leidster en een hulpleidster aanwezig te zijn, die verantwoordelijk zijn voor het gebeuren in het kindercentrum.
Voorkoming verspreiding infectieziekten
1. Het is de houder of de directie verboden:
a. enig persoon tot het kindercentrum of tot enige daarmee in verbinding staande lokaliteit toe te laten of daarin te laten vertoeven, wanneer door een geneeskundige is geconstateerd dat er gevaar bestaat van overbrenging van een besmettelijke ziekte.
De directie is bevoegd om een geneeskundige verklaring te vragen, wanneer zij redelijkerwijs kan vermoeden dat er gevaar voor een besmettelijke ziekte aanwezig is.
b. enig persoon tot het kindercentrum of tot enige daarmee in verbinding staande lokaliteit toe te laten of daarin zelf te vertoeven, wanneer zij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee gevaar bestaat voor overbrenging van een besmettelijke ziekte.
2. Van het in het eerste lid, onder a, omschreven verbod is de houder of de directie ontheven, zodra de behandelende geneeskundige een schriftelijke verklaring heeft afgegeven dat de kans op overbrenging van een besmettelijke ziekte is uitgesloten.
Veiligheid en brandveiligheid
1. In de ruimten waar kinderen verblijven dienen stopcontacten en elektriciteitsschakelaars op 1,5 meter boven de grond te zijn aangebracht, dan wel kinderbeveiliging.
2. Gascylinders, gasleidingen en gasfornuizen dienen te voldoen aan de veiligheidseisen.
3. Gevaarlijke stoffen die vergiftiging bij kinderen kunnen veroorzaken of kinderen kunnen verwonden dienen zodanig opgeborgen te worden dat kinderen er niet mee in aanraking kunnen komen.
4. Telefoonnummers zoals die van de brandweer, politie, ambulance, huisartsen en de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidsdienst dienen binnen handbereik bij elke telefoon voorhanden te zijn.
5. Een kindercentrum dient over een rampenplan te beschikken dat in samenwerking met de brandweer is opgesteld.
6. De babyzaal mag niet naast de hoofdkeuken liggen.
7. In elk kindercentrum dient er een goed functionerend brandblusapparaat te zijn voorzien van een goedkeuringssticker.
8. Er dient te allen tijde een goed geoutilleerde EHBO-kist aanwezig te zijn op een voor het personeel gemakkelijk bereikbare plaats.
9. Het kindercentrum dient te allen tijde telefonisch bereikbaar te zijn.
Hoofdstuk VI
Van het overheidstoezicht op de kinderopvang
Er is een afdeling van de Uitvoeringsorganisatie Geneeskunde en Gezondheidsdienst genaamd Inspectie kinderopvang, belast met het toezicht op de kinderopvang in haar gehele omvang dat namens de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport wordt uitgeoefend.
1. De Inspecteur moet in het bezit zijn van een diploma Verpleegkundige met maatschappelijke gezondheidszorg of een Sociaal Pedagogisch HBO-diploma. Tevens dient de cursus voor Inspecteur kinderopvang gevolgd te worden.
2. De Inspecteur wordt door de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport voorzien van een instructie en legt de bij die instructie voorgeschreven eed (belofte) af.
3. Voor het gelijktijdig vervullen van ambten of bedieningen van andere dan kerkelijke of daarmee, naar het oordeel van de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport, gelijk te stellen aard, behoeft hij de toestemming van de minister.
1. Alle gebouwen en terreinen, die als kindercentrum worden gebruikt, zijn steeds voor de Inspecteur toegankelijk en moeten op zijn verzoek onverwijld voor hem en degenen, die hem vergezellen, worden geopend.
2. De houder of de directie van een kindercentrum en van de overige aan het kindercentrum verbonden leidsters, hulpleidsters, invalsters, stagiaires en vrijwilligers, zijn gehouden aan de Inspecteur de verlangde inlichtingen omtrent het kindercentrum, de kinderen en de kinderopvang te geven in de vorm, waarin die inlichtingen gevraagd worden, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling en zowel bij gelegenheid van een bezoek aan het kindercentrum als op andere tijdstippen.
3. Weigering om te voldoen aan een der verplichtingen, in de voorgaande leden opgelegd, wordt, voorzover het Wetboek van Strafrecht er niet in voorziet, gestraft met geldboete van ten hoogste duizend gulden en indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens niet voldoen aan verplichtingen in de voorgaande leden opgelegd onherroepelijk is geworden, met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.
4. De in het derde lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
5. Het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is ten aanzien van de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport en door de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport daartoe aangewezen ambtenaren van overeenkomstige toepassing.
1. Zo dikwijls de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport bespreking van kinderopvangbelangen nodig acht kan deze daartoe de Inspecteur uitnodigen in zijn vergadering aanwezig te zijn. De Inspecteur voldoet voorzover mogelijk aan het verzoek.
2. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport kan te allen tijde aan de Inspecteur verzoeken schriftelijk advies over kinderopvangzaken uit te brengen. De Inspecteur is verplicht aan dit verzoek te voldoen.
3. De Inspecteur is bevoegd over alle zaken betreffende kinderopvang eigener beweging schriftelijk advies aan de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport uit te brengen.
Hoofdstuk VI
Straf- en opsporingsbepalingen
Strafbepalingen
1. Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, 8, eerste lid, onder a, b, c en d, 10, 11, 12, 13, eerste en tweede lid, en 30 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Opsporingsbepalingen
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde en de opsporing van de in artikel 38 strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de personen vermeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering, belast de Inspecteur alsmede de door de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport aangewezen ambtenaren en personen.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, bevoegd:
a. inzage te verlangen en afschrift te nemen van boeken, geautomatiseerde gegevensbestanden en andere zakelijke bescheiden;
b. zich te laten vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen;
3. Zij zijn te allen tijde bevoegd in beslag te nemen alles, wat dienen kan tot bewijs van de overtreding.
4. Ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde personen desgevraagd alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken die zij redelijkerwijs bij de uitvoering van de hen op grond van deze landsverordening opgedragen taak behoeven.
5. De Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport draagt zorg voor controle op de naleving van deze verordening. Hij controleert jaarlijks de houders van een vergunning op de naleving van de verordening.
6. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden getroffen omtrent de taken van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren of personen die door de Minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport aangewezen zijn als toezichthouder.
Binnentreden van woningen
1. Zij die met de opsporing van de bij deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn belast, hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen waarvan naar hun redelijk oordeel de binnentreding voor de vervulling van de aan hen ingevolge deze landsverordening opgedragen taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
2. In woningen treden zij tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op schriftelijke last van de Procureur Generaal, de Officier van Justitie, dan wel in het bijzijn van een Rechter of de Commissaris van Politie.
3. Van dit binnentreden wordt binnen tweemaal vierentwintig uur proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt gezonden naar de Officier van Justitie.
Daarin wordt mede melding gemaakt van het tijdstip van binnentreding en van het beoogde doel.
4. Zij die krachtens dit artikel een woning binnentreden, zijn bevoegd zich van door hen aangewezen personen te laten vergezellen. In dit geval wordt hiervan in het proces-verbaal melding gemaakt.
Hoofdstuk VIII
Overgangs- en slotbepalingen
Overgangsbepaling
(vervallen)
Nadere regels
Ter uitvoering van deze landsverordening kunnen nadere regels bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden vastgesteld.
Inwerkingtreding
Deze landsverordening treedt in werking op een nader bij landsbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Citeertitel
Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening kinderopvang Curaçao.